ECLI:NL:GHARL:2021:10354

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
8 november 2021
Zaaknummer
Wahv 200.251.791/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 62 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep snelheidsovertreding binnen bebouwde kom met bord A1

De betrokkene maakte beroep tegen een sanctie van €325 wegens het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 30 km/h op de Plesmanlaan te Leiden. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

De gemachtigde voerde aan dat de motivering van de kantonrechter onvoldoende was en dat onduidelijkheid bestond over de betekenis van 'uitgezonderd 30 km/h' in het zaakoverzicht. Ook werd betwist dat het plaatsen van bebording binnen de bebouwde kom verplicht is en dat het gebruikte bord A1 correct was vastgesteld.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter voldoende heeft betrokken de aangevoerde gronden en dat geen motiveringsgebrek bestaat. Uit het dossier bleek dat de ambtenaar ter plaatse was, een herhalingsbord A1 had vastgesteld en een mobiele snelheidscontrole had uitgevoerd met een goedgekeurde snelheidsmeter. De toevoeging 'uitgezonderd 30 km/h' in het zaakoverzicht betreft een administratieve aanduiding voor boetes met andere snelheden dan 30 km/h.

Het hof bevestigde het vonnis van de kantonrechter met verbetering van gronden en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het ongegrond verklaren van het beroep tegen de snelheidsovertreding en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.251.791/01
CJIB-nummer
: 213480668
Uitspraak d.d.
: 8 november 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt in het hoger beroepschrift dat de beslissing van de kantonrechter onvoldoende is gemotiveerd. In het beroepschrift bij de kantonrechter is duidelijk aangegeven dat de officier van justitie de beroepsgronden niet (deugdelijk) heeft behandeld. De kantonrechter heeft de motiveringsklacht wel genoemd maar niet behandeld.
2. Vooropgesteld zij dat de kantonrechter niet is gehouden uitgebreid en expliciet in te gaan op alle argumenten die in het beroepschrift naar voren zijn gebracht. Het hof is om die reden dan ook van oordeel dat uit de beslissing van de kantonrechter voldoende blijkt dat de door de gemachtigde in het kader van die fase van de procedure aangedragen gronden bij die beslissing zijn betrokken. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat de gemachtigde in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie niet heeft aangegeven en onderbouwd met betrekking tot welke door hem aangedragen gronden de officier van justitie tekort is geschoten in zijn motivering. Van een motiveringsgebrek is, gelet op het voorgaande, geen sprake.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 325,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, met 30 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 december 2017 om 16:41 uur op de Plesmanlaan in Leiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft gesteld dat het plaatsen van bebording binnen de bebouwde kom niet verplicht is en dat de door de gemachtigde aangevoerde uitspraken niet relevant zijn omdat in deze uitspraken de gedraging is gepleegd buiten de bebouwde kom. De ambtenaar heeft geschreven voor het overschrijden van de snelheid bij bord A1. De ambtenaar moet, zo stelt de gemachtigde, dan wel aangeven waar deze borden stonden en of deze borden voorafgaand aan de meting zijn gecontroleerd,. Daarnaast is in het zaakoverzicht opgenomen: “62 jo. bord A1 (uitgezonderd [30 km/h]) RVV 1990”. Het is onduidelijk wat daarmee wordt bedoeld.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 83 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 80 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 30 km per uur.
Merk/soort meetmiddel: UX 100 LR. (…)
Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 (uitgezonderd [30 km/h]) RVV 1990 (…)”
7. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar – kort samengevat – verklaart dat hij op de Plesmanlaan een herhalingsbord zag met daarop aangeduid dat de maximumsnelheid 50 km per uur was.
8. In dit geval is sprake van een mobiele snelheidscontrole (met een laser). De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd was zelf ter plaatse en heeft blijkens voormeld proces-verbaal geconstateerd dat er een bord A1 was geplaatst. Het hof kan de gemachtigde overigens niet volgen in zijn stelling dat een herhalingsbord geen bord A1 is.
9. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot het zaakoverzicht heeft de advocaat-generaal aanleiding gezien om nadere informatie op te vragen. Uit navraag is de advocaat-generaal gebleken dat er onderscheid wordt gemaakt tussen twee verschillende series snelheidsovertredingen in combinatie met bord A1 in verband met de hoogte van de boetebedragen. De ene serie ziet alleen op bord A1 met de vermelding van de maximumsnelheid van 30 km/h. De andere serie ziet op alle andere maximum snelheden behalve 30 km/h, in dat geval wordt – zoals in de onderhavige zaak – in het zaakoverzicht de toevoeging “uitgezonderd 30 km/h” opgenomen.
10. Ten aanzien van de eerste opmerking van de gemachtigde het volgende. De kantonrechter heeft als volgt overwogen: “Het gaat in de onderhavige zaak om een gedraging verricht binnen de bebouwde kom waar het niet verplicht is om een bord te plaatsen. De door gemachtigde aangevoerde uitspraken zijn derhalve niet relevant, aangezien in deze uitspraken de gedraging is gepleegd buiten de bebouwde kom”. De gemachtigde heeft terecht aangevoerd dat deze motivering niet juist is. In het onderhavige geval is immers een sanctie opgelegd voor een gedraging in verband met een snelheidsovertreding op grond van bord A1 en derhalve zijn de door de gemachtigde genoemde uitspraken van de kantonrechters relevant in die zin dat in dat geval moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van deugdelijke bebording.
11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen zij het, gelet op het hiervoor vermelde, met verbetering van gronden. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.