Na het overlijden van de moeder van de minderjarige kinderen heeft de gecertificeerde instelling (GI) een verzoek ingediend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij opa en oma van vaderszijde. De kinderrechter had dit verzoek deels toegewezen voor een periode van vier maanden. De vader ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid.
Het hof heeft het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van de kinderen afgewezen en de beschikking van de kinderrechter vernietigd. Het hof oordeelde dat hoewel de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de langdurige conflicten tussen ouders en andere volwassenen, dit onvoldoende is om tot een maatregel van uithuisplaatsing over te gaan. Het uitgangspunt is dat kinderen in beginsel bij hun biologische ouders horen op te groeien.
De GI kon niet voldoende onderbouwen dat de psychische en emotionele veiligheid van de kinderen bij de vader en zijn partner in het geding is. De vader wordt door de GI als liefdevol en betrokken gezien en is bereid tot ondersteuning en hulpverlening. De plaatsing bij opa en oma biedt geen duidelijk meer rust en stabiliteit dan bij de vader. De vader mag zijn gezag direct uitoefenen en het hof vertrouwt erop dat hij de belangen van de kinderen en betrokkenen zal respecteren.
Het incidentverzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 november 2021.