Uitspraak
[appellant],
Delta Lloyd,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.2. Waar gaat het over?
3.De vaststaande feiten
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, voormalig werknemer en werkgever, sloten een vaststellingsovereenkomst bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst waarin zij afspreken zich niet negatief over elkaar uit te laten tegenover derden. De werknemer stelt dat Delta Lloyd deze afspraak heeft geschonden door negatieve referenties te verstrekken.
In hoger beroep heeft het hof het bewijs onderzocht, waaronder e-mails, getuigenverklaringen en een procesformulier van het KLPD dat negatieve opmerkingen over de werknemer bevatte. Het hof concludeert dat onvoldoende is komen vast te staan dat medewerkers van Delta Lloyd zich negatief over de werknemer hebben uitgelaten. De negatieve verklaringen betroffen personen die niet meer in dienst waren of geen verband hielden met Delta Lloyd.
De stelplicht en bewijslast rusten op de werknemer, en het hof acht de door hem aangedragen bewijzen onvoldoende om de schending van het beding aan te tonen. Het bewijsaanbod om getuigen te horen wordt gepasseerd wegens irrelevantie.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat de vorderingen van de werknemer afwijst en veroordeelt de werknemer in de proceskosten van het hoger beroep. De gevorderde nakosten en wettelijke rente worden toegekend met een betalingsregeling.
De uitspraak bevestigt dat een werkgever niet zonder voldoende bewijs kan worden gehouden aan een schending van een geheimhoudingsbeding, vooral wanneer de negatieve referenties van personen buiten de werkgeverkring afkomstig zijn.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemer af wegens onvoldoende bewijs van schending van het geheimhoudingsbeding.