ECLI:NL:GHARL:2020:9700

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
24 november 2020
Zaaknummer
21-003619-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 311 SrArt. 359a Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal tot geldboete en vervangende hechtenis

Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor winkeldiefstal tot een onvoorwaardelijke geldboete van €200,-, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht. Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling tot een geldboete van €209,-, subsidiair vier dagen hechtenis. Verdachte voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ontbreken van camerabeelden, maar dit werd verworpen.

Het hof achtte het verweer van verdachte, dat zij samen met een medeverdachte de boodschappen bij verschillende kassa's had afgerekend, niet geloofwaardig. Uit het kassasysteem bleek geen contante betaling van het bedrag dat volgens verdachte was voldaan. Het hof verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander meerdere winkelgoederen had weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de persoon van verdachte en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, legde het hof een geldboete van €200,- op, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis. Verdachte werd vrijgesproken van hetgeen haar meer of anders ten laste was gelegd dan bewezenverklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €200,- en subsidiair vier dagen vervangende hechtenis voor winkeldiefstal.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003619-19
Uitspraak d.d.: 24 november 2020
VERSTEK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 juni 2019 met parketnummer 18-170302-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een geldboete van € 209,-, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van het schrijven van verdachte van 20 oktober 2020, waarin door verdachte schriftelijke bezwaren zijn opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte ter zake van winkeldiefstal veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van tweehonderd euro, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 28 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere winkelgoederen, waaronder een gastendoekje, meerdere hammen, kaas, zalmfilet, een kniekous, amandelen, koffie en/of Vanish Gold, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [winkel] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat tijdens het politieverhoor aan de verdachte is voorgehouden dat de verdachte op camerabeelden is vastgelegd, terwijl er geen camerabeelden zijn.
De niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in het geval dat het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Voor zover het niet bewaard zijn gebleven van de camerabeelden als een onherstelbaar vormverzuim zou kunnen worden aangemerkt, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat hiermee sprake is van een doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsoverweging

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de ten laste gelegde winkeldiefstal. Hiertoe voert de verdachte aan dat zij samen met medeverdachte [medeverdachte] de boodschappen bij verschillende kassa's heeft afgerekend. Verdachte heeft haar deel van de boodschappen gepind en [medeverdachte] heeft het andere deel van de boodschappen bij een andere kassa contant afgerekend.
Het hof acht het alternatieve scenario, waarin de medeverdachte een deel van de boodschappen contant bij een andere kassa heeft afgerekend, niet geloofwaardig. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2018 blijkt dat verbalisant [verbalisant] samen met de bedrijfsleider van de [winkel] te [plaats] de ontvangen betalingen bij de kassa heeft gecontroleerd. Het hof verstaat deze controle aldus, dat de [winkel] beschikt over een kassysteem waarin alle betalingen, zowel de contante betalingen als de pintransacties, van alle kassa's gezamenlijk worden geregistreerd. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen contante betaling van € 30,89 in het systeem is aangetroffen. Het geschetste alternatieve scenario is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 28 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, meerdere winkelgoederen, waaronder een gastendoekje, meerdere hammen, kaas, zalmfilet, een kniekous, amandelen, koffie en Vanish Gold, dat aan een ander dan aan verdachte en haar mededader toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [winkel] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. Verdachte heeft door haar handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf.
Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 oktober 2020 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting hanteren als uitgangspunt bij een eenvoudige winkeldiefstal een onvoorwaardelijke geldboete van tweehonderd euro.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de politierechter een juiste straf aan verdachte heeft opgelegd. In hoger beroep zal deze straf, een geldboete van tweehonderd euro, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis, opnieuw aan verdachte worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. E. de Witt en mr. L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. van der Meulen, griffier,
en op 24 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.