ECLI:NL:GHARL:2020:9575

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2020
Publicatiedatum
18 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.269.095
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens twijfel aan verrichte gedraging rechts inhalen

De betrokkene kreeg een sanctie van €230 opgelegd voor rechts inhalen op 17 oktober 2018 op de Rijksweg A7 te Marum. Hij ontkende de gedraging en voerde aan dat hij op dat moment in Nijmegen was voor een bespreking. De ambtenaar die de sanctie oplegde, twijfelde zelf ook over de juistheid van de vaststelling en bezocht de betrokkene later thuis om het voertuig te herkennen.

De betrokkene stelde dat opsporingshandelingen zoals het thuis bellen en bezoeken niet geoorloofd waren volgens de Wahv en dat hij niet op zijn zwijgrecht was gewezen. Het hof oordeelde dat de gegevens onvoldoende zijn om vast te stellen dat de gedraging is verricht, mede door de consistente ontkenning van de betrokkene en het handelen van de ambtenaar.

Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking van de officier van justitie. Het beroep van de betrokkene wordt gegrond verklaard en de sanctie komt te vervallen.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens rechts inhalen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.095/01
CJIB-nummer
: 220721285
Uitspraak d.d.
: 18 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 16 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2020. De betrokkene is niet verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op
17 oktober 2018 om 08:19 uur op de Rijksweg A7 in Marum met het voertuig met het kenteken
[YY-000-Y] .
2. De betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht. Ten tijde van de gedraging was de betrokkene met zijn voertuig in Nijmegen. Hij had daar een bespreking met meerdere personen. De bestuurder is ook niet staandegehouden. Verder zijn opsporingshandelingen verricht die volgens de Wahv niet geoorloofd zijn. De ambtenaar heeft de betrokkene thuis opgebeld en is daarna langsgegaan op het privéadres van de betrokkene. In de Wahv staat nergens geregeld dat de ambtenaar de kentekenhouder kan horen over een Muldergedraging. Daarnaast merkt de betrokkene op dat hij tijdens het telefoongesprek niet op het zwijgrecht is gewezen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt –naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens– zakelijk weergegeven in dat het in de inleidende beschikking genoemde voertuig rechts heeft ingehaald. De reden van geen staandehouding was dat de ambtenaren in een onopvallend dienstvoertuig reden. Het voertuig was niet voorzien van stopborden.
5. De ambtenaar die de onderhavige sanctie heeft opgelegd, heeft (desgevraagd) een aanvullend proces-verbaal opgemaakt (d.d. 21 januari 2019). De ambtenaar geeft hierin antwoord op de vragen van de officier van justitie. Over de reden waarom hij langsging op het privéadres van de betrokkene verklaart de ambtenaar het volgende:
“Op maandag 21 januari 2019, omstreeks 19.30 uur, ben ik, verbalisant, in uniform gekleed en rijdend in een opvallend politievoertuig, naar de woning van [betrokkene] gegaan. Ik wilde hier een klein onderzoek instellen naar het voertuig van betrokkene zodat ik deze zou kunnen herkennen. (…)”
6. Gelet op hetgeen de betrokkene gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de gedraging is verricht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene van meet af aan heeft aangevoerd dat hij en zijn voertuig ten tijde van de gedraging in Nijmegen waren en niet op de pleeglocatie. Uit het handelen van de ambtenaar op 21 januari 2019 kan worden afgeleid dat deze twijfelde over de juistheid van de vaststelling van de gedraging, in het bijzonder of het het voertuig van de betrokkene betrof.
De gegevens in het dossier zijn daarmee onvoldoende voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan niet in stand blijven.
7. Gelet hierop beslist het hof als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.