Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1989 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en een regeling voor vergoeding van privévermogen. Na een eerdere echtscheiding in 2001 zijn zij in 2006 opnieuw gehuwd. De man diende in 2018 een verzoek tot echtscheiding in, waarna de rechtbank Overijssel in 2019 de echtscheiding uitsprak en een regeling trof over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
De rechtbank bepaalde dat de vrouw aan de man een vergoeding van € 135.000,- moest betalen, wat de man onvoldoende vond en in hoger beroep ging. Hij vorderde een hogere vergoeding van ruim € 359.000,- en stelde dat de vrouw onrechtmatig had gehandeld met zijn vermogen na zijn hersenstambloeding in 2010. De vrouw voerde verweer en kwam zelf met incidenteel hoger beroep.
Het hof oordeelde dat het verzoek van de man onvoldoende was onderbouwd, dat het redelijk was dat de man een deel van het resterende vermogen ontving, en dat de vrouw niet aansprakelijk was voor onbehoorlijk bestuur. Het hof bevestigde dat de huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting waren overeengekomen en dat de afwikkeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was indien de man het volledige gevorderde bedrag zou ontvangen.
De grieven van de man en vrouw faalden, de bestreden beschikking werd bekrachtigd en het beslag op het vermogen van de vrouw vervalt zodra de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de man af met compensatie van proceskosten.