Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende heeft bij de rechtbank verzocht om onderbewindstelling van zijn goederen. De kantonrechter wees dit verzoek toe zonder een mondelinge behandeling te bepalen, waarbij de rechthebbende slechts een gesprek had met een juridisch medewerker. De rechthebbende betwist dat hij de onderbewindstelling wilde zoals verwoord in het verzoek en stelt dat tijdens het gesprek zijn wil niet juist is weergegeven.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 279 Rv Pro de verzoeker gehoord dient te worden door de rechter bij een dergelijk verzoek, tenzij het verzoek aanstonds wordt toegewezen. Hier was echter geen mondelinge behandeling vastgesteld en geen oproeping van de rechthebbende en belanghebbenden, waardoor de rechthebbende in zijn belangen is geschaad.
Verder is er geen verslag van het gesprek met de juridisch medewerker en is onduidelijk hoe de kantonrechter de inhoud van dat gesprek heeft meegewogen. Het hof concludeert dat de enkele overweging van de kantonrechter onvoldoende is om het verzoek toe te wijzen zonder de rechthebbende zelf te horen.
Daarom vernietigt het hof de beschikking van de kantonrechter en wijst het het verzoek tot onderbewindstelling af. De taak van de bewindvoerder eindigt daarmee, maar reeds verrichte handelingen blijven in beginsel verbindend voor de rechthebbende.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking tot onderbewindstelling en wijst het verzoek af wegens het ontbreken van een mondelinge behandeling door de kantonrechter.