ECLI:NL:GHARL:2020:893

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
4 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.250.588/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Art. 5 WVW 1994Art. 9 Wahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren op trottoir ondanks hinderbeperking

De betrokkene werd een sanctie van €90 opgelegd wegens het parkeren van een voertuig op het trottoir, wat in strijd is met artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De betrokkene voerde aan dat de straat te smal was om zonder gebruik van de stoep te parkeren zonder het overige verkeer ernstig te hinderen, en dat dit in de wijk gebruikelijk en gedoogd zou zijn.

Het hof erkent dat het voertuig deels op het trottoir stond, maar oordeelt dat de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een conflict van plichten dat het parkeren op het trottoir rechtvaardigt. Volgens het hof had de betrokkene elders kunnen parkeren, ook al was dat verder van zijn woning.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en het hof bevestigt deze beslissing. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op een openbare zitting in Leeuwarden.

Uitkomst: De sanctie van €90 voor parkeren op het trottoir wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.588/01
CJIB-nummer
: 213496512
Uitspraak d.d.
: 4 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die
gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 december 2017 om 11:33 uur op de Ampèrestraat in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De betrokkene ontkent niet dat voormeld voertuig ter plaatse op het trottoir stond geparkeerd maar stelt dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden die de aanleiding zijn om dat zo te doen. De betrokkene voert hiertoe aan dat de betreffende straat niet breed genoeg is om een auto te parkeren zonder dat gebruik wordt gemaakt van een deel van de stoep, omdat anders het andere verkeer ernstig zou worden belemmerd, hetgeen in strijd zou zijn met de hogere verplichting van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De betrokkene merkt daarbij op dat zo wel voldoende ruimte overblijft om over het resterende deel van de stoep te lopen en voorts dat in heel de wijk, die dateert uit de jaren dertig, auto’s op die manier staan geparkeerd. Ook brengt de betrokkene naar voren dat er in de wijk geen parkeerverbod geldt, dat de gemeente niet voor andere oplossingen heeft gekozen en wijst hij op een krantenartikel met een citaat van de verkeerswethouder dat het deels op de stoep parkeren in een vergelijkbare wijk wordt gedoogd.
3. De onder 1. vermelde gedraging, met feitcode R315B, ziet op een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
4. Dat het voertuig van de betrokkene deels op het trottoir stond geparkeerd is niet in geding. Vaststaat dat de gedraging is verricht. In het licht van het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn die aanleiding geven op grond van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv het bedrag van de sanctie te matigen dan wel oplegging van de sanctie achterwege te laten.
5. Het hof is van oordeel dat dergelijke redenen zich hier niet voordoen. Voor zover de betrokkene stelt dat sprake was van een conflict van plichten – te weten de onder 3 vermelde verplichting en die van artikel 5 van Pro de WVW 1994 - en dat hij de minst bezwarende heeft gekozen, volgt het hof dat niet. De betrokkene had immers aan beide verplichtingen kunnen voldoen door zijn auto elders te parkeren, eventueel op een grotere afstand van zijn woning, op een plaats waar dat en op een wijze die wel is toegestaan. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van zodanige omstandigheden dat dat redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
6. De bezwaren treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.