AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late zekerheidstelling bij bestuurlijke boete mobiele telefoon vasthouden
De betrokkene werd een bestuurlijke boete van €230 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de zekerheid te laat was gesteld en dit niet verschoonbaar was. De gemachtigde voerde aan dat het draagkrachtverweer dit niet-ontvankelijkverklaring in de weg stond en dat de kantonrechter het verweer niet correct had behandeld.
Het hof oordeelt dat de kantonrechter het draagkrachtverweer als zodanig had moeten behandelen en het te laat stellen van zekerheid had moeten verontschuldigen. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en beoordeelt het zelf het beroep. Tevens vernietigt het hof de niet-ontvankelijkverklaring door de officier van justitie wegens het ontbreken van een machtiging, omdat niet is gebleken dat de gemachtigde de kans heeft gehad dit te herstellen.
Inhoudelijk oordeelt het hof dat de ambtenaar voldoende heeft vastgesteld dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. De betrokkene’s stelling dat hij de telefoon alleen vasthield terwijl hij stil stond, is onvoldoende om twijfel te zaaien. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.242.080/01
CJIB-nummer
: 198562417
Uitspraak d.d.
: 30 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 13 april 2018, betreffende
Mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen,
beweerdelijk optredend voor
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
Mr. J. van Gemert (hierna: Van Gemert) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Van Gemert heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat te laat zekerheid is gesteld en niet gesteld of gebleken is dat het niet tijdig voldoen aan de verplichting tot zekerheidstelling verschoonbaar is.
2. Van Gemert voert aan dat het door hem namens de betrokkene gevoerde draagkrachtverweer aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg staat. Indien geen zekerheid is gesteld en het draagkrachtverweer wordt verworpen, moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog zekerheid te stellen. In de onderhavige zaak is te laat zekerheid gesteld. In dat geval dient niet-ontvankelijkverklaring achterwege te blijven, omdat anders degene die geen zekerheid betaalt in een betere rechtspositie verkeert dan degene die te laat betaalt, hetgeen tot rechtsongelijkheid leidt.
3. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
4. In gevallen waarin de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter aanvoert dat om financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag, heeft de kantonrechter twee mogelijkheden:
- hij acht aannemelijk dat de betrokkene niet in staat is om zekerheid te stellen, stelt de zekerheid op nihil en behandelt de zaak inhoudelijk;
of
- hij nodigt de betrokkene uit om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht.
5. Als de kantonrechter de betrokkene uitnodigt om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht, heeft de kantonrechter weer twee mogelijkheden:
- hij acht aannemelijk dat de betrokkene niet (volledig) in staat is zekerheid te stellen. In dat geval zal hij een bedrag van de zekerheid moeten vaststellen dat in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig moet de betrokkene een nadere termijn worden gegeven waarbinnen alsnog het verlaagde bedrag aan zekerheid kan worden gesteld;
of
- hij acht de betrokkene in staat volledig zekerheid te stellen. In dat geval moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog het volledige bedrag van de zekerheid te betalen.
6. In het beroepschrift bij de kantonrechter is het volgende aangevoerd:
“Indien en voor zover niet tijdig zekerheid is gesteld geeft betrokkene reeds nu aan dat hij niet in staat is dit tijdig en volledig te doen nu zijn financiële situatie en inkomen dit niet toelaat. Betrokkene verzoekt u in dat geval de zekerheid op nihil te stellen en om de gelegenheid dit toe te lichten. Voor zover de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond acht, verzoekt betrokkene om een nadere termijn om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.”
7. Het dossier bevat kopieën van twee brieven van de officier van justitie van 20 april 2017 en 7 mei 2017, waarin staat dat de betrokkene binnen twee weken zekerheid dient te stellen.
8. Uit het dossier blijkt dat op 12 juni 2017 – derhalve niet tijdig – zekerheid is gesteld.
9. Bij brief van 13 maart 2018 van de griffier van de rechtbank is Van Gemert uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 30 maart 2018.
10. De kantonrechter heeft in zijn beslissing overwogen dat namens de betrokkene een draagkrachtverweer is gevoerd. Vervolgens heeft de kantonrechter dit draagkrachtverweer verworpen en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
11. Hoewel daartoe volgens vaste jurisprudentie van het hof niet gehouden, heeft de kantonrechter
de opmerking van Van Gemert in het beroepschrift opgevat als een (onvoorwaardelijk) draagkrachtverweer waarmee de kantonrechter rekening moest houden. Dat staat de kantonrechter vrij maar dat brengt ook mee dat de kantonrechter het verweer als zodanig moet behandelen. Dat betekent in dit geval dat de kantonrechter het niet tijdig stellen van zekerheid verschoonbaar had moeten achten. De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
12. Nu door Van Gemert de behandeling van het beroep door het hof zelf is verlangd en zekerheid is gesteld, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
13. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat het beroep tegen de inleidende beschikking namens de betrokkene is ingesteld en geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim binnen de daartoe verleende termijn te herstellen.
14. Van Gemert voert aan dat de verzuimbrief niet is verzonden, zodat hij niet in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen.
15. In het dossier bevindt zich een aan Van Gemert gerichte brief van de officier van justitie van 18 november 2016, waarin hem om een schriftelijke machtiging wordt verzocht. Op basis van de stukken in het dossier en vanwege het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie is het hof echter niet in staat vast te stellen dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. Aldus kan niet worden vastgesteld dat Van Gemert in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie dan ook gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
16. Het hof stelt vast dat Van Gemert inmiddels een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de betrokkene mag vertegenwoordigen. Van Gemert wordt dan ook als gemachtigde aangemerkt.
17. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juni 2016 om 11:03 uur op de Koningsweg in ‘s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
18. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene op zijn telefoon heeft gekeken toen hij stil stond voor het verkeerslicht. Hij heeft zijn mobiele telefoon dus niet vastgehouden tijdens het rijden.
19. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
20. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Samsung. Hij hield de GSM in zijn rechterhand voor zich vast ter hoogte van het stuur.”
21. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. De stelling dat de betrokkene zijn telefoon slechts heeft vastgehouden toen hij stil stond, komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Dat is onvoldoende om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal dan ook ongegrond worden verklaard.
22. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.