ECLI:NL:GHARL:2020:8788

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2020
Publicatiedatum
28 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.243.270
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging in bestuursstrafzaak

In deze bestuursstrafzaak heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de inleidende beschikking van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De reden voor de niet-ontvankelijkheid was het ontbreken van een machtiging waaruit blijkt dat de gemachtigde namens de betrokkene mocht optreden.

De kantonrechter had ondanks deze niet-ontvankelijkverklaring ook inhoudelijk op de gronden van het beroep tegen de inleidende beschikking gereageerd. Het hof oordeelt dat de kantonrechter daarmee buiten de grenzen van het geschil is getreden en dat deze inhoudelijke overwegingen als overwegingen ten overvloede moeten worden beschouwd waartegen in hoger beroep niet kan worden opgekomen.

Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af, omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld. De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend. Het arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens ontbreken van een machtiging en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.270/01
CJIB-nummer
: 205936980
Uitspraak d.d.
: 28 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2018, betreffende
B. de Jong LLB, kantoorhoudende te Gouda,
beweerdelijk optredend voor,

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

B. de Jong LLB (hierna: De Jong) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat De Jong geen machtiging heeft overgelegd waaruit volgt dat hij gemachtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist. De kantonrechter heeft overwogen dat uit een ter zitting overgelegd afschrift van de verzendadministratie voldoende blijkt dat de verzuimbrief daadwerkelijk is verzonden.
2. De Jong voert ten aanzien van het ontbreken van de machtiging dezelfde grond met betrekking tot de verzending van de verzuimbrief aan als bij de kantonrechter, zonder daarbij aan te geven waarom de kantonrechter, ter zitting dienaangaande voorgelicht door de officier van justitie, deze grond onjuist heeft beoordeeld. Het hof zal deze grond daarom passeren.
3. De Jong wijst er voorts op dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking inhoudelijk heeft beoordeeld. De betrokkene meent dat dit oordeel in hoger beroep kan worden bestreden, nu het hoger beroep zich richt tegen de beslissing van de kantonrechter.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter, nadat hij tot het oordeel was gekomen dat het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk was verklaard, is ingegaan op de inhoudelijke gronden tegen de inleidende beschikking. Daarmee is de kantonrechter buiten de grenzen van het geschil getreden. In verband hiermee moeten deze overwegingen van de kantonrechter als overwegingen ten overvloede worden beschouwd waartegen het hoger beroep zich niet kan richten.
5. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.