ECLI:NL:GHARL:2020:8454

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 oktober 2020
Publicatiedatum
20 oktober 2020
Zaaknummer
W 200.284.460
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken feitelijke grondslag in strafzaak

In een strafzaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden diende verdachte een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren Wemes, Fühler en Laurens. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de meervoudige kamer geen getuigen zou oproepen, waardoor verdachte een goede verdediging werd ontnomen.

Tijdens de zitting op 15 oktober 2020 werd het wrakingsverzoek behandeld door de wrakingskamer. Zowel de verzoeker als de betrokken raadsheren en de advocaat-generaal waren niet aanwezig bij de behandeling. De wrakingskamer deed direct mondeling uitspraak.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig en ontvankelijk was, maar dat het verzoek geen feitelijke grondslag had. Uit het proces-verbaal bleek dat de meervoudige kamer nog geen definitieve beslissing had genomen over het horen van getuigen en dat het onderzoek mogelijk heropend kon worden. De vermeende onpartijdigheid was daarmee niet objectief gerechtvaardigd.

Op grond van artikel 512 Sv Pro werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit ter Berg, Kuiper en Foppen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens ontbreken van feitelijke grondslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.284.460/01
beslissing van 15 oktober 2020
op het verzoek van:
G. [verzoeker]
wonende te [plaats],
verzoeker in het wrakingsincident,
hierna:
[verzoeker],
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mrs. L.T. Wemes, M.C. Fühler en R.R.H. Laurens,
raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder zaaknummer 21-000763-16 een strafrechtelijke procedure aanhangig tegen [verzoeker]. Het (nadere) onderzoek ter terechtzitting in die zaak is vandaag, 15 oktober 2020, om 13.40 uur aangevangen.
Aanwezig waren voormelde raadsheren, de advocaat-generaal, mr. H. Dijkstra, de griffier, mr. M. Nijhuis en [verzoeker], verdachte in die strafzaak. [verzoeker] heeft tijdens deze mondelinge behandeling mrs. Wemes, Fühler en Laurens gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Blijkens dit proces-verbaal is [verzoeker] aangekondigd dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek onmiddellijk zal plaatsvinden.
1.2
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 15 oktober 2020 om 15:45 uur behandeld door de wrakingskamer. [verzoeker] is bij deze behandeling niet verschenen. Mrs. Wemes, Fühler en Laurens zijn bij deze behandeling evenmin verschenen. Ook de advocaat-generaal is niet verschenen.
1.3
Na de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan op het wrakingsverzoek. Deze beslissing wordt hierbij op schrift gesteld.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.2
Uit het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer blijkt dat [verzoeker] aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de raadsheren geen getuigen oproepen en daarmee [verzoeker] een goede verdediging ontnemen.
De inhoudelijke beoordeling van het verzoek
2.3
Op grond van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van de rechter(s) die de zaak behandelen.
2.4
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.5
De wrakingskamer constateert dat [verzoeker] zijn wrakingsverzoek uitsluitend heeft gebaseerd op een vermeende beslissing van de meervoudige kamer om geen getuigen op te roepen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt echter niet dat een zodanige beslissing is genomen. Door de voorzitter is op dit punt slechts meegedeeld dat het verzoek om getuigen te horen op een eerdere zitting is afgewezen, maar dat het hof de mogelijkheid openlaat dat na de beraadslaging in raadkamer het onderzoek wordt heropend. Daarmee mist het verzoek van [verzoeker] feitelijke grondslag. Het verzoek tot wraking wordt op die grond afgewezen.

3.De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mrs. L.T. Wemes, M.C. Fühler en R.R.H. Laurens af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, J.H. Kuiper en W. Foppen, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier op 15 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken.