Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter waarin een minderjarige onder toezicht is gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. De moeder, die het gezag heeft, verzet zich tegen de duur van de uithuisplaatsing en verzoekt deze te beperken tot drie maanden.
De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stellen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is vanwege een verwaarlozende opvoedsituatie, waarbij de moeder onvoldoende structuur en veiligheid biedt. De moeder heeft persoonlijke problematiek en ontkent de ernst van de situatie, waardoor vrijwillige hulp niet effectief was.
Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing in het belang van het kind noodzakelijk blijft en dat de moeder de opvoedondersteuning moet accepteren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom bekrachtigd voor de door de rechtbank bepaalde termijn. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de door de rechtbank bepaalde termijn.