ECLI:NL:GHARL:2020:7748
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij beschuldiging van ontuchtige handelingen
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland waarin verdachte was beschuldigd van het dwingen tot ontuchtige handelingen door het betasten van de benadeelde. De tenlastelegging betrof een incident van september 2018 waarbij verdachte werd beschuldigd van het ongewenst aanraken van de broek en billen van de benadeelde.
Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat de verklaringen van de benadeelde en verdachte op het essentiële punt van het betasten uiteenliepen. De enige mogelijke ondersteuning van de aangifte was de verklaring van een getuige, de teamleider van de benadeelde, die echter pas vier maanden na het incident was afgelegd. Gezien het tijdsverloop en de werkrelatie tussen getuige en benadeelde achtte het hof het niet uitgesloten dat de herinnering van de getuige onbewust beïnvloed kon zijn, waardoor deze verklaring niet tot het bewijs werd gerekend.
Het hof concludeerde dat de aangifte onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens werd de schadevordering van de benadeelde afgewezen wegens het ontbreken van een bewezenverklaring. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs en de schadevordering van de benadeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard.