Uitspraak
577b, tweede lid, (oud, nu artikel 6:6:26, eerste lid,)van het Wetboek van Strafvordering van:
Procesgang
Bevoegdheid van het hof
Beoordeling van het verzoek
BESLISSING
€ 4.600,00 (vierduizend zeshonderd euro).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker is bij arrest van het hof van 16 oktober 2009 verplicht tot betaling van €575.580,30 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 21 november 2019 diende verzoeker een verzoek in tot kwijtschelding of matiging van het resterende bedrag van €567.330,30.
Het hof acht zich bevoegd het verzoek te behandelen, ondanks wetswijzigingen per 1 januari 2020, omdat het verzoek vóór die datum bij het hof was ingediend. De advocaat-generaal stelde voor het resterende bedrag te matigen tot €100.000.
Na beoordeling van de persoonlijke en financiële omstandigheden van verzoeker, waaronder zijn beperkte draagkracht en betalingsgeschiedenis, concludeert het hof dat volledige kwijtschelding niet gerechtvaardigd is. Wel wordt het resterende bedrag gematigd tot €4.600, een bedrag dat verzoeker naar verwachting in termijnen kan voldoen.
Het hof wijst het verzoek tot volledige kwijtschelding af en wijzigt de betalingsverplichting conform deze matiging. Deze beslissing biedt verzoeker en zijn gezin financieel perspectief zonder de sanctie geheel te laten vervallen.
Uitkomst: Het hof vermindert de resterende betalingsverplichting tot €4.600 en wijst het verzoek tot volledige kwijtschelding af.