Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden staat het verzoek van de man centraal om de werking van een eerder door de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken beschikking, waarin hij werd veroordeeld tot betaling van een geldsom aan de vrouw, te schorsen. De rechtbank had de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De man stelde dat hij door de coronacrisis en zijn financiële situatie, waarbij hij slechts het minimumloon verdient met zijn onderneming, in een financiële noodsituatie verkeert en dreigt failliet te gaan bij executie. Hij verzocht daarom om schorsing van de uitvoerbaarheid van de beschikking.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden had onderbouwd die een afwijking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring rechtvaardigen. Hij had geen recente financiële stukken of kasstroomoverzicht overgelegd, waardoor het hof niet kon beoordelen of sprake was van een daadwerkelijke financiële noodsituatie. De stelling dat de rechtbank in eerste aanleg geen partneralimentatie had opgelegd wegens gebrek aan draagkracht, was onvoldoende om het verzoek te steunen.
Het hof verwees naar de jurisprudentie dat een uitvoerbare veroordeling in beginsel zonder zekerheidstelling kan worden uitgevoerd, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde zich daartegen verzetten. Omdat de man zijn stellingen niet voldoende had onderbouwd, wees het hof het verzoek tot schorsing af.
De beschikking werd uitgesproken door drie raadsheren en is openbaar gedaan op 22 september 2020.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van een financiële noodsituatie.