ECLI:NL:GHARL:2020:7473

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 september 2020
Publicatiedatum
21 september 2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.141/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie kentekenhouder wegens vermeende hinderlijk parkeren op Coolsingel

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €140 opgelegd voor het voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar of hinder voor het verkeer ontstond. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder omdat de ambtenaar de bestuurder niet zou hebben kunnen staande houden zonder het overige verkeer te hinderen.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het tijdstip en de verkeerssituatie dit niet aannemelijk maakten, omdat het vroeg in de ochtend was en de weg twee rijstroken had waardoor passeren mogelijk was. De ambtenaar verklaarde slechts dat staandehouding niet mogelijk was vanwege verkeershinder, zonder nadere onderbouwing.

Het hof oordeelde dat deze enkele verklaring onvoldoende is om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. Hierdoor mocht de sanctie niet aan de kentekenhouder worden opgelegd. De beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde, werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Tevens werd de zekerheidstelling gerestitueerd en proceskosten toegekend aan de betrokkene.

Uitkomst: De sanctie aan de kentekenhouder wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van onmogelijkheid tot staandehouding zonder verkeershinder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.240.141/01
CJIB-nummer
: 204189564
Uitspraak d.d.
: 21 september 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de beslissing van de kantonrechter tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 december 2016 om 5:25 uur op de Coolsingel in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Niet valt in te zien dat de ambtenaar de bestuurder niet heeft kunnen staande houden, omdat hij anders zelf het overige verkeer zou hinderen. Het was 5:25 uur en er was niet veel verkeer op de weg. Bovendien heeft de Coolsingel twee rijstroken, zodat het overige verkeer gemakkelijk kon passeren, zonder dat er hinder zou ontstaan. Indien daadwerkelijk sprake was van een gevaarlijke of hinderlijke situatie had het juist op de weg van de ambtenaar gelegen om de bestuurder aan te spreken teneinde die situatie te beëindigen.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. In een aanvullend proces-verbaal d.d. 18 juli 2017 verklaart de ambtenaar voor zover van belang: “Ik heb geen staande houding kunnen doen, omdat ik anders zelf het overige verkeer zou hinderen. Ik heb er daarom voor gekozen om de beschikking op kenteken uit te schrijven”.
5. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring niet genoegzaam dat er geen reële mogelijkheid bestond voor de ambtenaar om de bestuurder van het voertuig staande te houden. Niet gebleken is immers waarom de ambtenaar niet in de directe nabijheid van het voertuig kon stoppen op een plek waar hij het overige verkeer niet zou hinderen. Bij die stand van zaken houdt het hof het ervoor dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dit brengt mee dat de sanctie niet aan de betrokkene als kentekenhouder mocht worden opgelegd, zodat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
6. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook in zoverre vernietigen, het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond verklaren en die beschikking vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde geen bespreking meer behoeven. Tevens zal het hof bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het indienen van het hoger beroepschrift zal telkens één punt worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient in beginsel één punt te worden toegekend. Gelet echter op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het daarvoor toe te kennen punt halveren. Voor de fase van het beroep bij de kantonrechter is door de kantonrechter reeds een proceskostenvergoeding toegekend in een samenhangende zaak. In totaal zullen er dus 2,5 procespunten worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 656,25.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt die beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 656,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.