ECLI:NL:GHARL:2020:7468

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 september 2020
Publicatiedatum
21 september 2020
Zaaknummer
Wahv 200.248.816/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.C. Niederer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 2:1 AwbArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging ondanks herstelmogelijkheid

In deze zaak ging het hoger beroep over de niet-ontvankelijkverklaring van een beroepschrift wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de gemachtigde namens de betrokkene. De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de machtiging ontbrak en het verzuim niet was hersteld.

De gemachtigde stelde dat hij niet voldoende was gewezen op de gevolgen van het niet tijdig herstellen van het verzuim, hoewel hij wel bij brief was geïnformeerd. Het hof overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts eenmaal een redelijke termijn voor herstel van het verzuim hoeft te worden geboden en dat geen recht bestaat op verlenging daarvan. Het feit dat tijdens de zitting niet expliciet op de gevolgen werd gewezen, maakt de niet-ontvankelijkverklaring niet onjuist.

Het hof concludeerde dat de kantonrechter terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Daarmee werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging ondanks geboden herstelmogelijkheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.248.816/01
CJIB-nummer
: 198159558
Uitspraak d.d.
: 21 september 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2018, betreffende

Mr. J.M.C. Niederer (hierna: Niederer),

kantoorhoudende te Helmond,
beweerdelijk optredende namens

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te Almere.

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 21 juli 2020 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de zitting van 18 juni 2018 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Op 24 juli 2020 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. De griffier van de rechtbank heeft een afschrift van het proces-verbaal naar Niederer en de advocaat-generaal gestuurd.

De beoordeling

1. Nu het dossier alsnog het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter bevat, faalt de klacht van Niederer dienaangaande.
2. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen deugdelijke machtiging is overgelegd en dit verzuim niet is hersteld.
3. Niederer stelt zich op het standpunt dat deze beslissing geen stand kan houden, nu bij de tussenbeslissing van de kantonrechter van 18 juni 2018 niet is gewezen op de mogelijke gevolgen verbonden aan het niet tijdig herstellen van het verzuim. Dit is weliswaar bij brief van 4 mei 2018 gebeurd, maar had ook bij de laatste daarvoor gestelde termijn moeten gebeuren. De gemachtigde verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW1759).
4. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan een beroepsgerechtigde zich in de fase van het administratief beroep laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, Awb, bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, kan niet-ontvankelijkverklaring volgen indien de (pretense) gemachtigde schriftelijk in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, het verzuim niet binnen de in de brief genoemde termijn is hersteld en in de brief is meegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.
5. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de (pretense) gemachtigde in de zaak met het onderhavige CJIB-nummer beroep tegen de aan [de betrokkene] B.V. gerichte inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld. Het dossier bevat een door [A] N.V. afgegeven machtiging waarbij Niederer wordt gemachtigd om beroep in te stellen tegen de beschikking met CJIB-nummer 1062 5421 9815 9658.
6. Bij brief van 4 mei 2018 heeft de griffier van de rechtbank Niederer erop gewezen dat een schriftelijke en ondertekende machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens betrokkene in de onderhavige zaak beroep in te stellen ontbreekt. Deze brief voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 4. Het hof stelt vast dat een dergelijke machtiging vervolgens niet in het geding is gebracht.
7. De behandeling van de zaak is vervolgens op de zitting van 18 juni 2018 aangehouden teneinde Niederer in de gelegenheid te stellen alsnog een juiste machtiging over te leggen. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt niet dat Niederer gewezen is op de gevolgen indien het overleggen van een machtiging uitblijft. Het indienen van een machtiging is wederom uitgebleven.
8. Artikel 6:6 van Pro de Awb brengt mee dat een redelijke termijn moet worden geboden om een verzuim te herstellen. Naar het oordeel van het hof is die termijn in dit geval geboden. Zoals het hof heeft geoordeeld in zijn arrest van d.d. 9 maart 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5045, is reeds sprake van verzuim op het moment dat degene die op het beroep dient te oordelen constateert dat de in zijn ogen vereiste machtiging ontbreekt. Dit houdt in dat er aldus maar één keer de mogelijkheid tot herstel van het verzuim hoeft te worden geboden en dat geen recht bestaat op verlenging van die termijn. Het feit dat Niederer in de tussenbeslissing van de kantonrechter van 18 juni 2018 niet (ook) is gewezen op de gevolgen van het niet (tijdig) herstellen van het verzuim heeft dan ook geen gevolgen.
9. Voorgaande houdt in dat de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die beslissing wordt dan ook bevestigd en aanleiding tot het vergoeden van proceskosten is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.