In deze civiele zaak stond de terugbetaling van een lening centraal die appellant aan geïntimeerde had verstrekt. Het hof bevestigde dat geïntimeerde verplicht is het geleende bedrag terug te betalen zodra hij daartoe in staat is. Geïntimeerde stelde niet te weten welk bedrag hij verschuldigd was en gaf aan slechts €25 per maand te kunnen aflossen, mede vanwege zijn bijstandsuitkering en de coronacrisis.
Het hof oordeelde echter dat geïntimeerde onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie en onvoldoende bewijs had geleverd dat hij niet in staat zou zijn tot terugbetaling. Ondanks herhaalde verzoeken had geïntimeerde geen verantwoording afgelegd over de verkoop van activa en zijn aandeel daarin. De aangeboden aandelen in een lege vennootschap werden door het hof als waardeloos beschouwd.
Verder stelde appellant dat een rente van 6,5% was overeengekomen, maar het hof vond alleen een schriftelijke renteafspraak van 6% over een restantbedrag van €6.363,- vanaf 9 juli 2009 bewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat geïntimeerde binnen drie maanden het bedrag van €382.914,- moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente over €6.363,-. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de kosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.