ECLI:NL:GHARL:2020:6592

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 augustus 2020
Publicatiedatum
21 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.287/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Art. 4 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden op voetgangersgebied gelijkgesteld aan voetpad

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd wegens het rijden als snorfietser op een voetgangersgebied, wat volgens het hof gelijkgesteld wordt aan een voetpad in de zin van artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De betrokkene voerde aan dat de situatie ter plaatse onduidelijk was vanwege tegenstrijdige bebording, waaronder fietssymbolen op het wegdek en een G7-bord dat een voetgangersgebied aanduidt.

Het hof oordeelde dat een voetgangersgebied in beginsel alleen toegankelijk is voor voetgangers en daarom als voetpad kan worden aangemerkt. De betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zo onduidelijk was dat hem geen verwijt kon worden gemaakt. Het verweer over het ontbreken van een ambtsedige verklaring liet het hof onbesproken omdat dit verweer reeds eerder en herhaaldelijk was verworpen.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen de sanctie ongegrond verklaarde en de sanctie van €95,- handhaafde. Tevens wees het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. Wijma in aanwezigheid van mr. Wijmenga als griffier.

Uitkomst: De sanctie van €95,- voor het rijden op het voetgangersgebied wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.287/01
CJIB-nummer
: 197578146
Uitspraak d.d.
: 21 augustus 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is nadere informatie toegestuurd.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 april 2016 om 18.49 uur op de Museumstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [Y000YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat vanwege de onduidelijkheid ter plaatse ten onrechte een sanctie is opgelegd. Er is ter plaatste sprake van een tegenstrijdige situatie omdat op het wegdek herhaaldelijk symbolen van een fiets zijn aangebracht, wat inhoudt dat sprake is van een fietspad. Bord G7 impliceert evenwel iets anders. Bovendien is de hele weg daar bedoeld voetpad te zijn, terwijl gelet op artikel 10 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) slechts weggedeelten voetpad kunnen zijn.
3. Verder voert de gemachtigde verweer over het ontbreken van een ambtsedige verklaring, maar het hof zal dit onbesproken laten omdat dit verweer al vele malen aan het hof is voorgelegd en inmiddels ook al vele malen is verworpen.
4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
5. Het dossier bevat verschillende documenten waarin de situatie ter plaatse is aangeduid. Hierop is de bebording ter plaatse te zien. Het betreft een G7-zonebord (voetgangersgebied) met daaronder de toevoegingen ‘fietsers toegestaan op de rijloper’ en ‘snorfietsers verboden’.
6. Artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990, waar de gemachtigde naar verwijst, bepaalt onder meer dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken. Zij mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
7. De stelling van de gemachtigde dat een voetgangersgebied niet kan worden aangemerkt als voetpad in de zin van artikel 10 van Pro het RVV 1990, wordt niet gevolgd. Een voetgangersgebied is een gebied waarin in beginsel alleen voetgangers zich mogen bewegen. Uit artikel 4 van Pro het RVV 1990 volgt dat voetgangers het trottoir of het voetpad gebruiken. Hierop gelet kan een voetgangersgebied worden aangemerkt als voetpad in de zin van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. Naar oordeel van het hof heeft de gemachtigde verder niet aannemelijk gemaakt dat de situatie ter plaatse zo onduidelijk is dat de betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt. Er zijn dan ook geen omstandigheden die maken dat de sanctie moet worden gematigd of achterwege moet blijven.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.