ECLI:NL:GHARL:2020:5740

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.237.889/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 3 WahvArt. 7:18, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing administratieve sanctie vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden

De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af.

Het hof stelde vast dat de officier van justitie niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken had verstrekt, waardoor de informatieplicht was geschonden. Daarom vernietigde het hof de beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie en beoordeelde het het beroep opnieuw.

Uit het aanvullend proces-verbaal bleek dat een aangewezen ambtenaar de betrokkene daadwerkelijk zag rijden met een mobiele telefoon in de hand. De betrokkene voerde aan dat zij slechts stilstaand voor het verkeerslicht de telefoon vasthield, wat het hof onvoldoende aannemelijk vond.

Het hof verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie van €230 bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie voor vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard en de sanctie van €230 blijft van kracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.237.889/01
CJIB-nummer
: 204678662
Uitspraak d.d.
: 21 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 8 maart 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de officier van justitie hem niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft doen toekomen. Hij heeft de processen-verbaal pas ontvangen nadat hij beroep had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.
2. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om gedurende het administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten. Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging. Andere documenten, zoals een ijkrapport, hoeven geen deel uit te maken van het dossier. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vgl. het arrest van het hof van 17 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8247).
3. Uit het dossier komt naar voren dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift
de officier van justitie heeft verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken.
4. Het hof stelt op basis van het dossier, voor zover hier relevant, het volgende vast. Bij beslissing van 28 juli 2017 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. In het dossier bevindt zich een afschrift van de brief van de officier van justitie gedateerd 30 oktober 2017. Deze brief houdt in dat het beroep tegen de beslissing op het administratief beroep is ontvangen en dat bij de behandeling van de zaak gegevens zijn gebruikt die de gemachtigde nog niet eerder heeft ontvangen. Deze worden daarom in kopie toegezonden. Bij die brief bevindt zich een proces-verbaal d.d. 9 januari 2017. Ook bevindt zich bij deze brief een aanvullend proces-verbaal van 2 oktober 2017. Op dat moment had de officier van justitie al een beslissing genomen. Dit stuk kon dan ook niet (eerder) verstrekt worden door de officier van justitie. Voor het proces-verbaal van 9 januari 2017 geldt dat, nu de officier van justitie dit stuk kennelijk heeft gebruikt bij de beoordeling van het administratief beroep, het een op de zaak betrekking hebbend stuk is geworden. Een redelijke uitleg van artikel 7:18, vierde lid, Awb, brengt mee dat als hierom is verzocht de officier van justitie nieuwe of aanvullende op de zaak betrekking hebbende stukken moet toezenden aan de indiener van het beroepschrift voordat hij op het beroep beslist. In dit geval is de proces-verbaal d.d. 9 januari 2017 pas bij het instellen van beroep bij de kantonrechter overgelegd. Daarmee is de officier van justitie tekortgeschoten in zijn informatieplicht.
5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal beide beslissingen vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven nu geen bespreking meer.
6. Vervolgens gaat het hof over tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een sanctie van € 230,- is opgelegd voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 januari 2017 om 14:05 uur op de Europalaan in Utrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
7. De gemachtigde betwist dat de gedraging is verricht. De betrokkene had wel een telefoon in haar hand maar dit was toen zij stilstond voor het verkeerslicht en niet tijdens het rijden. Het relaas van de ambtenaar dat ook tijdens het rijden is gezien dat de betrokkene een mobiele telefoon in haar hand had, is bovendien ook niet aannemelijk. Het is al rijdend namelijk moeilijk vast te stellen of zij daadwerkelijk een mobiele telefoon in haar rechterhand had. Dit kan evengoed iets anders geweest zijn, aldus de gemachtigde.
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Het zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Apple Iphone 4. (…)
Verklaring betrokkene: ik moest mijn navigatie checken.”
10. In het aanvullend proces-verbaal d.d. 2 oktober 2017 verklaart de ambtenaar, voor zover hier van belang, het volgende:
“Ik zag dat de bestuurder van dit voertuig een telefoon in haar rechterhand vasthield. Ik zag dat het verkeerslicht op groen ging en de bestuurder begon te rijden. Ik zag dat de Mercedes op de rechterbaan reed, ikzelf reed op de linkerbaan. Wij reden met een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur. Wij reden naast de Mercedes Citan en hierdoor had ik vrij en onbelemmerd zicht door de zijruit van het voertuig. De afstand tussen de Mercedes Citan en ons eigen voertuig was ongeveer
2 meter. Ik zag dat de bestuurder nog steeds de mobiele telefoon in haar rechterhand vasthield terwijl zij reed. Wij reden enige tijd naast haar, hierdoor stel ik onomstotelijk vast dat de bestuurder een mobiele telefoon vasthield tijdens het rijden.”
11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om er aan te twijfelen dat de betrokkene de telefoon vasthield tijdens het rijden. De stelling van de gemachtigde dat de betrokkene slechts tijdens het stilstaan voor het stoplicht een mobiele telefoon in haar hand had, is daartoe onvoldoende, gelet op de nadrukkelijke verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal dat hij de betrokkene zag rijden met een telefoon in haar hand. Aldus wordt vastgesteld dat de gedraging is verricht.
12. Het voorgaande houdt in dat het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal verklaren.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.