ECLI:NL:GHARL:2020:5553

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
21-006979-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van oogmerk tot toe-eigening bij poging diefstal geldkistje

In hoger beroep is het vonnis van de politierechter vernietigd waarbij verdachte was veroordeeld voor poging tot diefstal van een geldkistje. Het hof heeft het bewijs opnieuw gewogen en is tot de conclusie gekomen dat niet vaststaat dat verdachte het oogmerk had om het geldkistje zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De tenlastelegging betrof het op of omstreeks 10 augustus 2018 in een plaats binnen de gemeente het wegnemen van een geldkistje dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging. Na beoordeling van de wettige bewijsmiddelen heeft het hof geoordeeld dat het bewijs onvoldoende is om de tenlastelegging te bevestigen. Daarom is het vonnis van de politierechter vernietigd en is verdachte vrijgesproken.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 juli 2020, waarbij het hof het onderzoek in eerste aanleg heeft betrokken overeenkomstig artikel 422 Sv Pro.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is bewezen dat zij het oogmerk had het geldkistje zich toe te eigenen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006979-18
Uitspraak d.d.: 15 juli 2020
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2018 met parketnummer 18-158782-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman,
mr. T. Bruinsma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij voornoemd vonnis ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 10 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een geldkistje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen met voormeld oogmerk dat geldkistje heeft beetgepakt en/of opgetild, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof niet bewezen dat verdachte het oogmerk had om zich het geldkistje toe te eigenen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 15 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.