ECLI:NL:GHARL:2020:5081

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
1 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.235.282/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 AwbArt. 5 WahvArt. 24, eerste lid, aanhef en onder b, RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete parkeren voor in- of uitrit met vernietiging beslissing kantonrechter

De betrokkene stelde beroep in tegen een boete van €90 wegens parkeren voor een in- of uitrit op 29 januari 2016 in Steenbergen. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het hof oordeelt dat de beslissing van de kantonrechter onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet alle bezwaren van de gemachtigde zijn behandeld.

Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en beoordeelt zelf de bezwaren tegen de boete. De betrokkene voerde aan dat het voertuig niet vóór maar in de in- of uitrit stond, dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd en dat de ambtenaar te laat reageerde op een informatieverzoek. Het hof stelt vast dat de situatie ter plaatse een duidelijk herkenbare in- of uitrit betreft, ook al ligt er een trottoir tussen de inritblokken en de bestemming.

Verder oordeelt het hof dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, zodat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. De klacht over het ontbreken van een verweerschrift in hoger beroep faalt eveneens. Het hof verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.235.282/01
CJIB-nummer
: 195437366
Uitspraak d.d.
: 1 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 april 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat geen “echt” proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is ontvangen, omdat dit niet aan de wet voldoet. Er is slechts vermeld dat aantekening is gehouden van het verhandelde ter zitting, welke aantekeningen deel uit maken van het proces-verbaal, maar er zijn geen aantekeningen aangetroffen.
2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.
3. Het dossier bevat een proces-verbaal van de zitting van 26 oktober 2017, tevens inhoudende de beslissing van de kantonrechter. In dit proces-verbaal is vermeld dat de betrokkene en de gemachtigde niet zijn verschenen. Voorts bevat het proces-verbaal de conclusie waartoe de officier van justitie is gekomen. Het proces-verbaal voldoet hiermee aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De omstandigheid dat de volgens het proces-verbaal daarvan deel uit makende aantekeningen niet zijn bijgevoegd doet daaraan niet af. De klacht van de gemachtigde faalt.
4. De gemachtigde voert in hoger beroep verder aan dat de kantonrechter slechts heeft beoordeeld of de gedraging is verricht en de andere gronden niet heeft behandeld. De gemachtigde wijst hierbij op zijn argumenten over de betwisting van de juistheid van de feitcode, het verzoek de inleidende beschikking te vernietigen omdat het aanvullend proces-verbaal te laat is gekomen, dat de sanctie ten onrechte niet aan de bestuurder is opgelegd en de motiveringsklacht ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie.
5. Naar vaste jurisprudentie van het hof is voor een deugdelijke motivering van de beslissing van de kantonrechter niet vereist dat uitgebreid en expliciet op elk argument wordt ingegaan. Uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter blijkt echter niet dat de klachten van de gemachtigde ten aanzien van de motivering van de beslissing van de officier van justitie, het te laat ontvangen aanvullende proces-verbaal en het niet staande houden zijn betrokken in de beoordeling van het beroep. De beslissing van de kantonrechter is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.
6. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard. Het hof zal -ten einde te beoordelen of de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd dan wel dat met verbetering van de gronden kan worden bevestigd- beoordelen tot welke conclusie de tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerde bezwaren leiden.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren voor een in- en/of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 januari 2016 om 11.58 uur op de Waterlinie in Steenbergen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
8. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden, omdat hij onvoldoende op de concrete beroepsgronden is ingegaan.
9. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
10. De gemachtigde heeft in administratief beroep onder meer aangevoerd dat de verbalisant te laat heeft gereageerd op het verzoek van de officier van justitie om nadere informatie en dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder in plaats van de bestuurder is opgelegd.
11. De officier van justitie heeft het administratief beroep ongegrond verklaard en deze beslissing - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:
“Er wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de waarneming van de verbalisant. (…) U hebt in uw beroepschrift ook nog andere beroepsgronden aangevoerd. Ook deze zijn voor de officier van justitie geen reden om de sanctie te vernietigen of het bedrag te verlagen.”
12. Het hof stelt voorop dat niet reeds sprake is van schending van het motiveringsbeginsel indien niet uitgebreid en expliciet op de argumenten van gemachtigde wordt ingegaan. Weliswaar kan uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet worden afgeleid dat niet alle aangevoerde bezwaren in de beoordeling zijn betrokken, maar deze motivering geeft geen enkel inzicht in de redenen waarom volgens de officier van justitie de aangevoerde bezwaren geen doel kunnen treffen.
13. Dit betekent dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie -met gegrondverklaring van het beroep daartegen- had moeten vernietigen. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de bezwaren tegen de inleidende beschikking beoordelen.
14. De gemachtigde stelt dat de ambtenaar te laat heeft gereageerd op het verzoek om nadere informatie door de officier van justitie en dat uitgangspunt in het beleid van de officier van justitie is dat de inleidende beschikking wordt vernietigd als de aanvullende informatie de officier van justitie niet binnen 4 weken bereikt.
15. Het hof stelt vast dat de ten tijde van de beoordeling van het administratief beroep geldende Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen geen bepaling meer bevatte die een termijn - en een gevolg aan het overschrijden van deze termijn - verbindt aan het voldoen aan een dergelijk informatieverzoek. Het dossier bevat een informatieverzoek van de officier van justitie d.d. 13 juni 2016 gericht aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Dat in deze brief een termijn van vier weken wordt genoemd, maakt voorgaande niet anders. Uit deze brief volgt dat overschrijding van deze termijn kan leiden tot vernietiging van de beschikking. Gelet op de redactie van deze brief kan de betrokkene hieraan niet het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inleidende beschikking in de onderhavige zaak zou worden vernietigd als de gevraagde informatie niet tijdig werd verstrekt. De stelling dat sprake is van (van de geldende Aanwijzing afwijkend) beleid van de officier van justitie om de inleidende beschikking te vernietigen als niet tijdig wordt voldaan aan een informatieverzoek, is niet onderbouwd.
16. De gemachtigde heeft met betrekking tot de gedraging aangevoerd dat het voertuig niet vóór maar in de in/uitrit stond. De waarneming van de ambtenaar dat het voertuig met twee wielen op het trottoir stond is onverenigbaar met zijn waarneming dat er een in/uitrit werd geblokkeerd, omdat een in/uitrit nimmer achter een trottoir kan zijn gesitueerd. De gemachtigde is daarom van mening dat er geen sprake is van een in/uitrit.
Voorts voert de gemachtigde aan dat er een staandehouding had kunnen en behoren plaats te vinden. De verbalisant heeft de stelling dat hij niemand bij het voertuig aantrof pas een half jaar na dato ingenomen, hetgeen onbetrouwbaar overkomt.
17. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
18. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Opmerkingen ambtenaar 1: n.a.v. eerdere klachten dat men voor de uitrit parkeert tijdens brengen en halen van de kinderen bij school PA (het hof begrijpt: personenauto) bekeurd. PA stond tevens met 2 wielen op trottoir. Er was geen sprake van ontheffing/vrijstelling/tostemming. Er was geen sprake van laden/lossen.”
19. In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal bevindingen van 26 juli 2016, waarin de ambtenaar op ambtseed onder meer verklaart:
“Ik was op dat moment in het bijzonder belast met toezicht op foutparkeren door bestuurders van voertuigen die hun kinderen van school kwamen ophalen. (…) Ter plaatse zag ik dat een zwarte Alfa Romeo Giulietta, voorzien van het kenteken [00-YYY-0] , geparkeerd stond voor de uitrit van huisnummer 50 op de schuine bestrating en tevens met twee wielen op het trottoir. Er was op dat moment geen bestuurder bij dit voertuig aanwezig. (…) Toen er na tenminste 10 minuten nog niemand bij het voertuig aanwezig was heb ik op kenteken een bekeuring uitgeschreven. (…)
Ten tijde van de overtreding werden door mij geen foto’s gemaakt. Om u een beeld te schetsen van de situatie ter plaatse heb ik vandaag twee foto’s gemaakt waaruit blijkt hoe deze ter plaatse was en is. Op deze foto’s is met een kruis aangeduid waar genoemd voertuig geparkeerd stond.”
20. Bij het proces-verbaal van bevindingen bevinden zich twee foto’s. Hierop is te zien dat ter plaatse sprake is van een met klinkers bestrate rijbaan. Daarnaast bevindt zich een oprit met schuine oplopende betonblokken, vervolgens een trottoir bestraat met stoeptegels en daarachter een oprit naar (de tuin van) een woning. De ambtenaar heeft door middel van een kruis aangegeven dat het voertuig van de betrokkene deels stond geparkeerd op de klinkers, deels op de schuine opritblokken en deels op het trottoir.
21. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Op grond van dit artikel mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.
22. De begrippen inrit en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol. Bij de vormgeving van een uitritconstructie kan daarbij worden gedacht aan een trottoir of fietspad langs de doorgaande weg dat op nagenoeg dezelfde hoogte en in soortgelijke verharding doorloopt over de zijweg en/of de toepassing van zogenaamde inritblokken.
23. Naar het oordeel van het hof is de onder 20. omschreven situatie ter plaatse een uitmonding die duidelijk als een in- en uitrit kan worden aangemerkt. In dit geval is er sprake van een toegang tot (de tuin van) een woning, die uitmondt op een doorgaande weg. Het trottoir langs de doorgaande weg loopt door over de aansluiting en er is gebruik gemaakt van inritblokken. De omstandigheid dat na de inritblokken een trottoir moet worden overstoken, maakt niet dat de situatie niet als in- en uitrit kan worden beschouwd, zoals de gemachtigde meent.
24. Gelet op het voorgaande stelt het hof dan ook vast dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.
25. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
26. Het hof gaat in dit geval ervan uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring van de ambtenaar in het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er bij het constateren van de gedraging geen bestuurder bij het voertuig aanwezig was en na tenminste 10 minuten nog niemand aanwezig was. Daarmee staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat de ambtenaar dit pas enkele maanden na dato in het proces-verbaal heeft opgeschreven, maakt niet dat deze verklaring onbetrouwbaar is, zoals de gemachtigde stelt. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen plegen te maken van hun waarneming, welke aantekeningen zij raadplegen als later om aanvulling wordt verzocht. De ambtenaar heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd.
27. Tot slot klaagt de gemachtigde erover dat in hoger beroep geen verweerschrift is ingediend en moet dit volgens hem leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Zoals het hof reeds vele malen eerder heeft geoordeeld treft deze klacht geen doel.
28. Gelet op het voorgaande verklaart het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
29. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.