Uitspraak
[appellant],
Dexia,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vernietiging van een leaseovereenkomst centraal, waarbij appellant de aandelenportefeuille van Dexia had overgenomen. Appellant stelde dat hij op het moment van vernietiging van de leaseovereenkomst nog in het bezit was van de aandelen, waardoor de waarde van die aandelen relevant was voor de terugbetaling.
Het hof onderzocht de feiten en concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op 31 januari 2006 nog de van Dexia overgenomen aandelen bezat. Producties toonden transacties van aandelen die pas in oktober 2006 werden overgedragen, en de samenstelling van de portefeuille kwam niet overeen met de oorspronkelijke Dexia-portefeuille. Hierdoor kon de waarde van de aandelen op de datum van vernietiging niet worden vastgesteld.
Het hof besloot daarom uit te gaan van de oorspronkelijke betaalde prijs voor de aandelenportefeuille, waardoor appellant geen aanspraak had op een hoger bedrag. De grieven van appellant werden verworpen, de vonnissen van de rechtbank werden bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bewijs van aandelenbezit op datum vernietiging.