ECLI:NL:GHARL:2020:4398

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
9 juni 2020
Zaaknummer
Wahv 200.264.467/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 13a WahvBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen en proceskostenvergoeding geweigerd in Wahv-zaken

De betrokkene was in eerste aanleg geconfronteerd met een administratieve sanctie van €95 wegens het stilstaan op een voetpad, opgelegd op 21 mei 2018. Tegen deze beschikking stelde de betrokkene hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Tijdens de procedure trok de advocaat-generaal de beschikking in, waarmee het beoogde resultaat van het hoger beroep was bereikt. Hierdoor verloor de betrokkene het belang bij verdere behandeling van het hoger beroep en verklaarde het hof dit niet-ontvankelijk.

De gemachtigde van de betrokkene verzocht om vergoeding van proceskosten, waaronder parkeerkosten en kosten van rechtsbijstand. Het hof oordeelde dat parkeerkosten geen proceskosten zijn volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat de Wahv geen grondslag biedt voor schadevergoeding van deze kosten. Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleende, waardoor ook de vergoeding van juridische kosten werd afgewezen.

Het hof wees het verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding af en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en verzoeken om proceskostenvergoeding en schadevergoeding zijn afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.467/01
CJIB-nummer
: 217183290
Uitspraak d.d.
: 9 juni 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hier te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .
Voor wie als gemachtigde optreedt [B] , te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Voorts is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 14 november 2019 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking is ingetrokken en dat de betrokkene daarover is geïnformeerd.
Bij brief van 13 december 2019 heeft de gemachtigde van de betrokkene stukken aan het hof toegezonden ter onderbouwing van de door de betrokkene geleden schade.
Bij brief van 18 februari 2020 heeft de gemachtigde van de betrokkene het hof bericht dat afgezien wordt van een mondelinge behandeling van de zaak.
Bij brief van 19 februari 2020 heeft de gemachtigde van de betrokkene nadere informatie met betrekking tot zijn functie als juridisch adviseur in het geding gebracht.
Bij tussenarrest van 11 maart 2020 heeft het hof de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld nadere informatie in het geding te brengen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van "niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad", welke gedraging zou zijn verricht op 21 mei 2018 om 19.24 uur op de Stromarkt in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [Y000YY] .
2. Nu de advocaat-generaal heeft besloten om voormelde beschikking in te trekken en derhalve is bewerkstelligd, hetgeen de betrokkene met het hoger beroep beoogde te verkrijgen, te weten vernietiging van deze beschikking, heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak op het hoger beroep. Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren.
3. De gemachtigde van de betrokkene heeft een verzoek om vergoeding van proceskosten ingediend, inhoudende vergoeding van geleden schade voortvloeiende uit de gebleken ten onrechte opgelegde beschikkingen. De kosten zijn begroot op € 3.630,- aan parkeerkosten en € 2.032,80 aan kosten voor de gemachtigde.
4. Artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, van de Wahv verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) van overeenkomstige toepassing. Derhalve dient het hof het verzoek om vergoeding van kosten te beoordelen aan de hand van genoemde regeling.
5. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:
a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
c. reis- en verblijfkosten van een partij,
d. verletkosten van een partij,
e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
6. Voor zover de gemachtigde van de betrokkene heeft bedoeld dat de parkeerkosten als proceskosten moeten worden beschouwd, geldt dat vergoeding van deze kosten niet aanmerking komt gelet op het gelimiteerde karakter van het Besluit.
7. Voor zover is bedoeld om schadevergoeding te vragen voor de parkeerkosten, is het hof van oordeel dat aan de Wahv noch enige andere bepaling de bevoegdheid kan worden ontleend om kennis te nemen van het verzoek, zoals door de gemachtigde van de betrokkene is gedaan. Het hof zal het verzoek om schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk verklaren.
8. De vergoeding van de gemaakte juridische kosten zien kennelijk op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Om daarvoor in aanmerking te komen dient het verlenen van rechtsbijstand voor de gemachtigde een vast onderdeel te vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening. Bij schrijven van
19 februari 2020 heeft de gemachtigde het volgende naar voren gebracht. In de onderhavige procedure is de gemachtigde in de hoedanigheid van juridisch adviseur onder [C] B.V als gemachtigde van de betrokkene opgetreden. Met deze onderneming staat hij geregeld zowel particulieren als ondernemingen bij in juridische procedures betreffende de Wet Mulder. De gemachtigde heeft een juridische achtergrond en ook een juridische HBO-opleiding gevolgd. De inkomsten van [C] B.V. dienen als zijn broodwinning te worden aangemerkt.
9. Het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld informatie in het geding te brengen, waaruit kan worden afgeleid dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent in de zin van het Besluit. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op basis van de thans beschikbare gegevens is het hof van oordeel dat niet gebleken is dat de gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand in de zin van artikel 1 van Pro het Besluit verleent. De opgevoerde kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.
10. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af;
verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Bons als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.