Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak ging het om het hoger beroep van appellant tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2020, waarin was vastgesteld dat appellant toerekenbaar tekortgeschoten was in de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, waardoor de regeling werd beëindigd zonder schone lei.
Appellant diende zijn beroepschrift op 30 maart 2020 in, drie dagen na het verstrijken van de beroepstermijn die op 27 maart 2020 eindigde. Hij voerde aan dat de overschrijding verschoonbaar was vanwege een technische storing in de e-mailcommunicatie en de impact van de coronacrisis op de internetverbindingen.
Het hof overwoog dat termijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden nageleefd. Appellant en zijn beschermingsbewindvoerder waren op de hoogte van de uitspraak en hadden voldoende tijd om hoger beroep in te stellen. De bewindvoerder had het vonnis tijdig per e-mail aan appellant en de beschermingsbewindvoerder gezonden. De advocaat van appellant ontving het vonnis echter pas na het verstrijken van de termijn, maar het hof achtte dit onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld en het vonnis van de rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare reden.