ECLI:NL:GHARL:2020:3840

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 mei 2020
Publicatiedatum
18 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.212.525/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 20d Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctiebeschikking Wahv wegens niet-naleving informatieplicht officier van justitie

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een sanctiebeschikking van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de vraag of de officier van justitie had voldaan aan de informatieplicht zoals voorgeschreven in artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het hof constateerde dat de gemachtigde van de betrokkene tijdens het administratief beroep om toezending van relevante stukken, waaronder foto’s van de gedraging, had verzocht. Deze stukken waren echter niet toegezonden, waardoor sprake was van een schending van de informatieplicht. De kantonrechter had dit niet onderkend, waardoor diens beslissing niet in stand kon blijven.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond. Een terugwijzing naar de rechtbank was niet mogelijk op grond van artikel 20d, tweede lid, van de Wahv. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd ongegrond verklaard omdat de gemachtigde voldoende gelegenheid had gehad om bezwaren te formuleren maar dit niet had gedaan.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk was gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.212.525/01
CJIB-nummer
: 191637509
Uitspraak d.d.
: 18 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ingekomen.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie tijdens de fase van het administratief beroep niet heeft voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 7:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Het is vaste rechtspraak dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het om het zaakoverzicht en (indien van toepassing) een foto van de gedraging.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de fase van het administratief beroep de officier van justitie heeft verzocht om toezending van onder meer de foto’s van de verweten gedraging. Uit het dossier blijkt niet dat deze foto’s de gemachtigde, voorafgaand aan het beslissen op het administratief beroep, zijn toegezonden.
4. Voorgaande houdt in dat niet is gebleken dat de officier van justitie heeft voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, zoals door de gemachtigde is verzocht, biedt artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, gelet op de redactie daarvan, geen ruimte. Het hof zal daarom doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook deze beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.
5. Tegen de inleidende beschikking zijn geen bezwaren meer aangevoerd. Voor zover de gemachtigde in de nadere toelichting op het beroep verzoekt om hem in de gelegenheid te stellen nadere gronden aan te voeren, gaat het hof daaraan voorbij, nu een redelijk belang daarbij ontbreekt. Daartoe wijst het hof er op dat de advocaat-generaal in het verweerschrift zijn standpunt over de inleidende beschikking naar voren heeft gebracht en daarbij foto’s van gedraging heeft overgelegd, en dat de gemachtigde daarna in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. De gemachtigde heeft niet aangegeven waarom hij geen bezwaren tegen de inleidende beschikking heeft kunnen formuleren. Aldus heeft de gemachtigde voldoende gelegenheid gehad om de bezwaren tegen de inleidende beschikking naar voren te brengen en komen de gevolgen van de omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan, voor zijn rekening.
6. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.