ECLI:NL:GHARL:2020:3512

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
1 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.798/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 7:26 AwbArt. 13, tweede lid Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging kentekenhouderaansprakelijkheid bij snelheidsovertreding zonder staandehouding bestuurder

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €129 wegens een snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom op 27 oktober 2017. De betrokkene stelde dat de identiteit van de bestuurder eerst op deugdelijke wijze vastgesteld moest worden, wat volgens hem niet gebeurde doordat de foto van achteren was genomen.

Het hof oordeelde dat artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt dat wanneer niet aanstonds de bestuurder kan worden vastgesteld, de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd. Dit betekent dat alleen bij een reële mogelijkheid tot staandehouding de identiteit van de bestuurder vastgesteld moet worden. Omdat de overtreding werd vastgesteld met een flitspaal, was staandehouding niet mogelijk en bestond geen onderzoeksplicht naar de bestuurder.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing. De motivering was summier maar voldoende, en er was geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De sanctie werd terecht aan de kentekenhouder opgelegd.

Uitkomst: De sanctie wegens snelheidsovertreding wordt terecht aan de kentekenhouder opgelegd zonder dat de bestuurder geïdentificeerd hoeft te worden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.239.798/01
CJIB-nummer
: 211963930
Uitspraak d.d.
: 1 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 april 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is J.L.M. Arets, kantoorhoudende te Landgraaf.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 129,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen de bebouwde kom, (verkeersbord A1) met 15 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 27 oktober 2017 om 00.27 uur op de N44 Rijksstraatweg te Wassenaar met het voertuig met het kenteken [Y-YY-000] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat uit de zinsnede "niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is", zoals is opgenomen in artikel 5 van Pro de Wahv, volgt dat eerst op deugdelijke wijze moet worden vastgesteld wie de bestuurder van een motorvoertuig is alvorens tot kentekenaansprakelijkheid te komen. Door een voertuig van achteren en dus niet van voren te fotograferen, wordt hier niet aan voldaan aangezien op deze wijze de identiteit van de bestuurder niet op deugdelijke wijze kan worden vastgesteld. De gemachtigde is van mening dat de officier van justitie en de kantonrechter gehouden waren op dit verweer te reageren en dat, nu dit niet is gebeurd, sprake is van schending van het motiveringsbeginsel ex artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De beslissingen van de officier van justitie (artikel 7:26, eerste lid, Awb) en de kantonrechter (artikel 13, tweede lid, Wahv) moeten deugdelijk zijn gemotiveerd. De wet stelt geen nadere eisen aan de motivering en dus ook niet de eis dat op alle argumenten expliciet en uitgebreid dient te worden gereageerd.
4. Het hof stelt vast dat in zowel de beslissing van de kantonrechter als van de officier van justitie wordt overwogen dat de betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is voor de overtredingen die met het voertuig worden begaan en dat niet is gebleken van één van de uitzonderingen op die kentekenhouderaansprakelijkheid, zoals omschreven in artikel 8 van Pro de Wahv. Hoewel de motivering in beide beslissingen summier is, geldt dat hieruit voldoende blijkt waarom de beroepen ongegrond zijn verklaard en dat de gronden van beroep in de beslissing zijn betrokken.
5. Ingevolge artikel 5 van Pro de Wahv wordt, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven.
6. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat het uitgangspunt is dat een bestuurder, wanneer een overtreding wordt geconstateerd, wordt staandegehouden. Uit de memorie van toelichting bij wijziging van de Wahv van 30 juni 1997 (Stb. 1997, 240) volgt dat alleen in die gevallen waarbij een staandehouding plaatsvindt de identiteit van de bestuurder 'aanstonds' dient te worden vastgesteld, alvorens hem een sanctie wordt opgelegd (Kamerstukken II 1993/94, 23 689, nr. 3, p. 3). Indien er geen reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder, dan bestaat er - anders dan de gemachtigde veronderstelt - geen onderzoeksplicht naar de identiteit van de bestuurder en kan de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Uit de memorie van toelichting volgt dat de eerdere redactie van de door de gemachtigde aangehaalde zinsnede van artikel 5 zo Pro was geformuleerd dat ruimte werd gelaten voor de interpretatie dat de politie-ambtenaar in bepaalde gevallen een onderzoek zou moeten instellen wie de bestuurder is, voordat de beschikking kon worden opgelegd. Volgens de toenmalige Minister van Justitie en Minister van Verkeer en Waterstaat is dat nooit de bedoeling geweest. Dit gaf aanleiding voor herformulering van artikel 5, waarbij expliciet is opgemerkt dat: "de nieuwe redactie van het artikel ziet op de gevallen waarin verkeersovertredingen al dan niet met technische hulpmiddelen worden geconstateerd zonder dat er voor de politie een reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder." Aldus is met deze wijziging beoogd om de gevallen waarin de identiteit van de bestuurder moet worden vastgesteld, te beperken tot die gevallen waarin een reële mogelijkheid tot staandehouding bestaat.
7. Blijkens de gegevens in het zaakoverzicht is de gedraging geconstateerd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal. Er was derhalve geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig en daarom ook geen onderzoeksplicht naar de identiteitsgegevens van de bestuurder. Artikel 5 van Pro de Wahv is dan ook op juiste wijze toegepast.
8. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde in hoger beroep geen bezwaren tegen de inleidende beschikking heeft geformuleerd, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
9. Gegeven deze beslissing bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.