In deze civiele zaak stond de vaststelling van een omgangsregeling tussen een vader en zijn vijftienjarige dochter centraal. Het hof had een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen en haar wensen te inventariseren. De bijzondere curator bracht een rapport uit waarin zij adviseerde de omgangsregeling te hervatten met een weekend per vier weken en een extra zaterdag per twee weken.
De bijzondere curator constateerde dat de dochter haar vader mist en positief staat tegenover contact, maar dat de moeizame relatie tussen de ouders en de minimale toestemming van de moeder het contact negatief beïnvloeden. De moeder uitte ernstige kritiek op de vader en handhaafde een beperktere omgangsregeling. De vader nam het advies ter harte en was bereid tot hulpverlening.
Het hof oordeelde dat het rapport van de bijzondere curator goed gemotiveerd was en dat de stem van de minderjarige zwaar moest wegen. De moeder kon haar bezwaren niet voldoende onderbouwen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank en stelde een omgangsregeling vast conform het advies van de bijzondere curator. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.