Partijen sloten op 29 juli 2013 een huurovereenkomst voor een dienstwoning met kantoor waar gastouderopvang plaatsvond. In 2014 werd de huurovereenkomst voortijdig beëindigd, waarbij appellanten zich bedrogen voelden omdat geïntimeerde het gehuurde aan derden verhuurde in plaats van zelf te bewonen.
Appellanten vorderden schadevergoeding voor gederfde inkomsten uit de gastouderopvang tot de pensioengerechtigde leeftijd van appellante. De kantonrechter wees deze vordering af wegens onvoldoende onderbouwing en onvoldoende schadebeperking.
In hoger beroep richtten appellanten zich tegen de afwijzing van de schadepost gederfde inkomsten. Het hof oordeelde dat ondanks aannames over voortzetting en schadebeperking de onderbouwing van de gederfde inkomsten gebrekkig was. De omzet werd als bruto-inkomen gepresenteerd zonder aftrek van kosten, en nadere onderbouwing bleef uit.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep. De vordering tot vergoeding van gederfde inkomsten blijft afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onderbouwing.