ECLI:NL:GHARL:2020:1806

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.201.852/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 21 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter wegens schending hoorplicht bij snelheidsovertreding

De betrokkene maakte bezwaar tegen een snelheidsovertreding op 2 mei 2015 waarbij een sanctie van €289,- was opgelegd. De kantonrechter wees het beroep deels toe en kende een proceskostenvergoeding toe. De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de rechtbank hem niet tijdig had geïnformeerd over het dossier, wat een schending van artikel 11, lid 4, van de Wahv opleverde.

Het hof stelde vast dat de griffier de gemachtigde pas na de zitting informeerde over de mogelijkheid tot dossierinzage, waardoor de informatieplicht niet was nageleefd. Dit leidde tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Het hof verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond wegens schending van de hoorplicht en vernietigde diens beslissing.

Ten aanzien van de snelheidsovertreding stelde de gemachtigde dat de foto’s en het zaakoverzicht niet met elkaar konden worden verbonden en dat de maximumsnelheid niet was vastgesteld. Het hof oordeelde dat de gegevens in het dossier voldoende waren om de overtreding vast te stellen en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht; het beroep tegen de snelheidsovertreding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.201.852/01
CJIB-nummer
: 189367957
Uitspraak d.d.
: 28 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 248,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de rechtbank hem ten onrechte geen stukken heeft toegestuurd.
2. Artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv houdt – voor zover hier van belang – in:
Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
3. Uit de stukken blijkt het volgende. Bij schrijven van 1 augustus 2016 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 30 juni 2016. In dit schrijven is de gemachtigde medegedeeld dat het dossier tot een week voor die zitting ter inzage op de rechtbank ligt en dat de gemachtigde daarvoor telefonisch een afspraak kan maken. Nu de brief is gedateerd ná de zitting, waardoor de termijn voor het inzien van het dossier reeds verstreken was, is niet voldaan aan de informatieplicht van artikel 11, lid 4 (oud), van de Wahv.
4. Voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof vernietigt deze beslissing. Aan de orde is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Inmiddels is aan de gemachtigde door de griffier van het hof een kopie van het procesdossier toegestuurd.
5. De gemachtigde voert tegen de beslissing aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek om te horen in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond – in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt – het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
6. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 289,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met
29 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 mei 2015 om 13:51 uur op de N232-Schipholweg-bij HMP 21,8 in Vijfhuizen met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
7. Namens de betrokkene wordt betwist dat te hard is gereden. Noch uit het zaakoverzicht noch uit de foto’s kan worden opgemaakt dat deze bij elkaar horen, zo betoogt de gemachtigde. Het fotofilmnummer in het zaakoverzicht is op de foto’s niet terug te vinden en het zaaknummer op de foto’s stemt niet overeen met het zaaknummer in het zaakoverzicht. Verder volgt op geen enkele wijze uit de overgelegde foto’s dat de maximum snelheid 80 km/u betrof.
8. Uit de gegevens die zijn opgenomen in het zaakoverzicht volgt – onder meer – dat met een werkelijke (gecorrigeerde) snelheid van 109 km/h is gereden waar een maximumsnelheid van 80 km/h was toegestaan en dat sprake is van overtreding van het gestelde in artikel 21, sub a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
9. In het dossier bevinden zich foto's van de gedraging. Uit de gegevens in de databalk bij de foto's blijkt dat deze zijn gemaakt op de onder 6. genoemde datum, tijd en plaats.
10. Het hof ziet in de enkele ontkenning dat er te hard is gereden geen aanleiding te twijfelen aan de constatering dat met het voertuig van de betrokkene op de genoemde datum, tijd en plaats met de gemeten snelheid is gereden. De stelling van de gemachtigde dat het zaakoverzicht en de foto’s niet met elkaar in verband kunnen worden gebracht, volgt het hof niet. Het kenteken, de datum, tijd en de locatie van de gedraging komen immers overeen. Dat het fotofilmnummer zoals vermeld in het zaakoverzicht niet bij de foto's staat en het zaaknummer in het zaakoverzicht niet correspondeert met dat zoals vermeld bij de foto's, doet daar niet aan af. Voor zover de gemachtigde bedoelt dat uit de gegevens boven de foto’s niet blijkt wat de ter plaatse geldende maximum snelheid is, brengt dat niet mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het hier gaat om een provinciale weg, een weg buiten de bebouwde kom, alwaar een maximum snelheid gold van 80 km/h.
11. Aldus treffen de door de gemachtigde opgeworpen gronden geen doel en is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en dat daarvoor terecht een sanctie is opgelegd. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
12. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.