ECLI:NL:GHARL:2020:1695

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.230.909/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 3, tweede lid, WahvArt. 7:19, derde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie onnodig geluid veroorzaken met motorvoertuig

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €370 opgelegd wegens vermeend onnodig geluid veroorzaken met zijn voertuig op 12 december 2016 te Zoetermeer. De ambtenaar constateerde dat het voertuig uit een rookwolk kwam en dat het motorcompartiment warm was, maar er was geen directe waarneming dat betrokkene het geluid veroorzaakte.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de hoorplicht was geschonden omdat de uitnodiging voor de hoorzitting niet was ontvangen door een postbezorgingsprobleem. Het hof stelde vast dat betrokkene niet voldoende in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord, omdat de uitnodigingsbrief niet was afgehaald en er geen telefonische hoorzitting was aangevraagd.

Het hof oordeelde dat de sanctie niet gehandhaafd kon worden omdat niet voldoende was vastgesteld dat betrokkene de overtreding had begaan. De beslissing van de kantonrechter en officier van justitie werden vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de sanctie ingetrokken. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De sanctie wegens onnodig geluid veroorzaken wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.230.909/01
CJIB-nummer
: 204056737
Uitspraak d.d.
: 26 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 december 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling1.Door de gemachtigde wordt aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. Het afhaalbericht voor de brief met de uitnodiging voor de hoorzitting heeft hij niet ontvangen. PostNL heeft hem telefonisch medegedeeld dat toentertijd sprake was van een tijdelijke postbezorger die de afhaalberichten niet heeft uitgereikt. Onder deze omstandigheden valt het de gemachtigde niet te verwijten dat hij de brief niet heeft opgehaald en dus ook niet dat hij niet op de brief heeft gereageerd. De officier van justitie had dan ook niet van het horen mogen afzien en de kantonrechter heeft dit miskend.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op de juiste wijze heeft gedaan en er doen zich geen uitzonderingsgevallen voor. Bij de stukken van het dossier bevindt zich een aangetekend verzonden brief van 3 mei 2017 van de officier van justitie waarin hij de gemachtigde bericht dat deze de mogelijkheid krijgt om in persoon op
31 mei 2017 of telefonisch op 29 mei 2017 of 30 mei 2017 gehoord te worden.
3. Op 19 juli 2017 beslist de officier van justitie op het beroep en verklaart het beroep ongegrond. Daarbij deelt de officier van justitie mee dat de gemachtigde uitgenodigd is voor een hoorzitting. Deze brief is aangetekend verstuurd, maar omdat de gemachtigde op het moment van de bezorging niet thuis was, kon hij de brief later afhalen. De gemachtigde heeft de uitnodigingsbrief niet afgehaald en heeft verder ook niet gereageerd. Daarom heeft de officier van justitie afgezien van het horen.
4. Het hof stelt voorop dat een hoorzitting niet achterwege mag blijven als het antwoordformulier niet wordt teruggestuurd. Dat de brief met daarin een voorgestelde datum voor een hoorzitting niet wordt afgehaald, kan niet worden gezien als een verklaring dat geen gebruik wordt gemaakt van het recht te worden gehoord. Het hof leidt uit voormelde gang van zaken af dat de aangeboden fysieke hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Dit blijkt ook uit het feit dat er geen verslag van de hoorzitting van 31 mei 2017 is gemaakt. Een telefonische hoorzitting is slechts mogelijk op verzoek van een belanghebbende of om gewichtige redenen (artikel 7:19, derde lid, van de Awb). Dat is hier niet aan de orde.
5. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de gemachtigde niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een motorvoertuig, bromfiets of snorfiets onnodig geluid veroorzaken”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 december 2016 om 21:12 uur op het Oosterheemplein te Zoetermeer met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
7. Ten aanzien van de inleidende beschikking voert de gemachtigde aan dat de betrokkene de verweten gedraging niet heeft begaan. Tijdens de staandehouding heeft de betrokkene bij de ambtenaar aangegeven dat hij geen onnodig geluid veroorzaakte. Ondanks dat de betrokkene hier naar heeft gevraagd, heeft de ambtenaar niet uitgelegd waarom er volgens hem wel sprake was van onnodig geluid veroorzaken. Uit het zaakoverzicht blijkt niet wat de betrokkene nu concreet verweten wordt. Dit wordt ook niet opgehelderd in het aanvullend proces-verbaal. Na de waarneming van de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene uit de rook kwam, is hij overgegaan tot staandehouding van de betrokkene. Er waren meerdere voertuigen op de betreffende locatie aanwezig en de betrokkene heeft niets te maken met het veroorzaken van onnodig geluid. De overlast is niet direct waargenomen door de ambtenaar en dit is wel een vereiste. De ambtenaar heeft uit het feit dat er veel warmte uit het motorcompartiment van het voertuig van de betrokkene kwam de conclusie getrokken dat hij de veroorzaker was van het geluid. Deze gevolgtrekking blijkt hier niet per definitie uit. Bovendien heeft de ambtenaar niet het motorcompartiment van de andere voertuigen ter plaatse gecontroleerd.
8. De bij feitcode R522 behorende gedraging betreft een overtreding van artikel 57 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dat luidt:
''Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.''
9. Voornoemd artikel is bedoeld om op te kunnen treden in juist die gevallen waarin een voertuig aan alle daaraan te stellen eisen voldoet, maar daarmee onnodig geluid gemaakt wordt. Onder onnodig geluid moet worden verstaan dat geluid dat sterker is dan het geluid dat het rijden met een naar de eisen van de tijd normaal ingericht voertuig onvermijdelijk veroorzaakt. Van onnodig geluid zal men eerst kunnen spreken zodra het veroorzaakte geluid het normale, geaccepteerde, door voertuigen veroorzaakte geluid te boven gaat. Voor de vaststelling of er sprake is van onnodig geluid is niet bepalend of er iemand is die overlast heeft ondervonden van het geluid en evenmin of een bepaald geluidniveau wordt overschreden.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld.
12. In het aanvullend proces-verbaal van 7 juni 2017 verklaart de ambtenaar - voor zover hier relevant - het volgende:
"Op 12 december 2016 omstreeks 21:05 was ik bezig met een staandehouding van een ander persoon op het Oosterheemplein. Het Oosterheimplein in Zoetermeer is een winkelcentrum gebied waar overdag maar vooral 's avonds een grote mate van overlast wordt ondervonden. Tijdens deze staandehouding stond ik (…) op het Oosterheemplein nabij de ingang van de parkeergarage toen ik een zeer luid motorgeluid en een luid piepend geluid van autobanden uit de garage hoorde komen. Ik snelde mij naar beneden via de trap van de parkeergarage en zag toen ik beneden kwam dat de garage blank stond van de blauw/grijze rook. Ik en mijn collega (…) roken de geur van verbrand rubber en heftige uitlaatgassen. Ik zag dat er een auto uit de blauw/grijze rook kwam rijden en richting een ander voertuig wat stilstond reed. In dit voertuig zat ook een persoon, vermoedelijk waren dit vrienden. Toen ik de betrokkene staande hield voor het bovenstaande, voelde ik dat er veel warmte vanuit het motorcompartiment kwam. Ik kon hierbij opmaken dat het voertuig wat ik op dat moment naast mij had staan degene was die het geluid veroorzaakte."
13. Het hof is van oordeel dat aan de hand van de stukken in het dossier in de onderhavige situatie niet is vast te stellen dat de betrokkene met zijn voertuig het geluid heeft veroorzaakt. Uit hetgeen de ambtenaar weergeeft in zijn aanvullend proces-verbaal volgt dit niet zonder meer. Immers heeft de ambtenaar niet waargenomen dat het geluid door het voertuig van de betrokkene werd veroorzaakt. Dat het voertuig van de betrokkene uit de rook kwam rijden en dat het motorcompartiment warmte uitstraalde, is daarvoor onvoldoende.
14. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Dit heeft tot gevolg dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in zoverre vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten de inleidende beschikking vernietigen. De overige bezwaren behoeven daarom geen verdere bespreking meer.
15. Het hof acht termen aanwezig voor vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is deze vergoeding forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2020 € 525,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50 (=3 x € 525,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de inleidende beschikking waarbij, onder CJIB-nummer 204056737, aan de betrokkene een sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen de betrokkene tot zekerheid heeft gesteld door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.