De moeder verzocht om toestemming om met haar minderjarige kind naar België te verhuizen en het kind daar in te schrijven op een school. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en bepaald dat het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, terwijl de vader ook een verzoek deed om de hoofdverblijfplaats bij hem te laten bepalen.
Het hof overwoog dat de belangen van het kind voorop staan bij beslissingen over verhuizing en hoofdverblijfplaats. Het belang van de moeder om te verhuizen werd erkend, maar zij had onvoldoende aangetoond dat verhuizing noodzakelijk was. Het kind heeft een sterke band met zijn moeder, maar een verhuizing naar België zou zijn sociale leven, sportactiviteiten en contact met de vader ernstig belemmeren.
Het hof vond dat de negatieve gevolgen van de verhuizing voor het kind en de vader zwaarder wegen dan het belang van de moeder. Daarom werd het verzoek tot verhuizing afgewezen en het besluit van de rechtbank bekrachtigd. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats vernietigde het hof het eerdere besluit en wees de verzoeken van beide ouders af, omdat zij nog samen op hetzelfde adres wonen en het aan hen is dit te regelen zodra zij uit elkaar gaan.