ECLI:NL:GHARL:2020:10676
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- J.H. Lieber
- R. Prakke-Nieuwenhuizen
- M.H.H.A. Moes
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenvonnis inzake rekening en verantwoording nalatenschap
De zaak betreft een geschil tussen broers die samen erfgenaam zijn van hun vader, waarbij appellant vordert dat de rechtbank de verdeling van onroerende zaken vaststelt en dat geïntimeerde aan hem rekening en verantwoording aflegt over het beheer van de nalatenschap.
Appellant had bij de rechtbank een incidentele vordering ingesteld tot afgifte van bankafschriften en het opleggen van een dwangsom aan geïntimeerde. De rechtbank veroordeelde geïntimeerde tot medewerking, maar legde geen dwangsom op.
In hoger beroep betwist appellant deze beslissing en vordert hij alsnog afgifte van bankafschriften en een dwangsom. Geïntimeerde stelt dat appellant niet-ontvankelijk is in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de beslissing op een vordering tot rekening en verantwoording geen voorlopige voorziening is in de zin van artikel 223 Rv Pro, maar een tussenvonnis waarop artikel 337 lid 2 Rv Pro van toepassing is. Hoger beroep tegen een tussenvonnis is slechts mogelijk samen met het eindvonnis, tenzij anders bepaald, wat hier niet het geval is.
Daarom verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en veroordeelt hem in de proceskosten van geïntimeerde. Het hof veroordeelt appellant niet tot vergoeding van de integrale proceskosten van geïntimeerde, omdat deze niet zijn gespecificeerd.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis en veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde.