ECLI:NL:GHARL:2020:1058

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
001644-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77dd SrArt. 6:6:21 SvArt. 6:1:14 SvArt. 6:6:1 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart zich onbevoegd tot kennisneming vordering tenuitvoerlegging voor 1 januari 2020 ingediend

De veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld tot een jeugddetentie van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De advocaat-generaal diende op 29 oktober 2019 een vordering in tot gelasting van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

Op 1 januari 2020 trad de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking, waarbij artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht verviel en werd vervangen door artikel 6:6:21 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Omdat geen overgangsrecht was voorzien, geldt het nieuwe artikel met onmiddellijke werking.

Het hof oordeelt dat het op grond van artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bevoegd is tot het nemen van beslissingen over tenuitvoerlegging, tenzij anders bepaald, het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit. Het hof is echter niet het gerecht van eerste aanleg in deze zaak.

Daarom verklaart het hof zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering, ondanks dat deze vóór 1 januari 2020 is ingediend, en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de vordering tot tenuitvoerlegging naar de rechtbank.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005640-17
AV-nummer: 001644-19
Uitspraak d.d.: 22 januari 2020
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van de advocaat-generaal ex artikel 77dd, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht (thans 6:6:21, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering) tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres]
hierna te noemen veroordeelde.
Procesgang
De veroordeelde is bij arrest van 28 maart 2018 -voor zover hier van belang- onherroepelijk veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden gesteld.
Bij vordering van 29 oktober 2019 vordert de advocaat-generaal dat het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf zal gelasten.
De vordering is aan de orde gesteld op de terechtzitting van 22 januari 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens de veroordeelde mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.
Beoordeling
Met de op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507) in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) is artikel 77dd (oud) van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:21 (nieuw) in verbinding met artikel 6:1:14, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van overgangsrecht moet de vordering worden aangemerkt als vordering als bedoeld in het eerste lid, onder a, van artikel 6:6:21.
Artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de
tenuitvoerlegging, – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd is het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.
Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, onmiddellijke werking heeft. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. De omstandigheid dat de vordering vóór 1 januari 2020 is ingediend doet hieraan niet af. Overeenkomstig artikel 6:6:1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier,
en op 22 januari 2020 ter openbare zitting uitgesproken.