ECLI:NL:GHARL:2020:1055
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsvraag inzake bezwaarschrift tegen tenuitvoerlegging vervangende hechtenis na wetswijziging
De zaak betreft een bezwaarschrift van de veroordeelde tegen de kennisgeving van de advocaat-generaal over de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis. Dit bezwaarschrift was ingediend vóór 1 januari 2020, maar het hof stelt dat het zich op grond van de nieuwe Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, die op die datum in werking trad, onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het bezwaarschrift.
De wetswijziging heeft artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht laten vervallen en vervangen door artikel 6:6:23 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Omdat er geen overgangsrecht is geregeld, is het hof van oordeel dat artikel 6:6:1 van Pro het Wetboek van Strafvordering onmiddellijke werking heeft en dat het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit bevoegd is om te beslissen over de tenuitvoerlegging.
Daarom verwijst het hof de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit. De omstandigheid dat het bezwaarschrift vóór de wetswijziging is ingediend, doet hieraan niet af. De uitspraak is gedaan tijdens een openbare zitting op 22 januari 2020.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst het bezwaarschrift naar de rechtbank Midden-Nederland.