ECLI:NL:GHARL:2020:10317

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.269.147/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 7:18 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake informatieplicht in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn beroep tegen een beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift. Het hof stelde vast dat de gemachtigde aanvankelijk geen gronden had aangevoerd, maar dit verzuim later tijdig had hersteld. Hierdoor werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd en werd het beroep inhoudelijk beoordeeld.

De gemachtigde stelde dat niet aan de informatieplicht was voldaan omdat het basale procesdossier niet volledig was verstrekt, wat volgens hem vernietiging van de beschikking rechtvaardigde. Het hof oordeelde dat de officier van justitie had voldaan aan zijn informatieplicht door het toezenden van het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging, en dat de gemachtigde tijdens de hoorzitting inhoudelijk verweer had gevoerd. Klachten over incomplete foto’s waren niet tijdig gemeld, waardoor de gevolgen daarvan voor rekening van de gemachtigde blijven.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie werd inhoudelijk afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie blijft in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.147/01
CJIB-nummer
: 220884131
Uitspraak d.d.
: 9 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 november 2020. De gemachtigde van de betrokkene is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift geen gronden van het beroep bevat en dit verzuim niet binnen de daarvoor geboden termijn is hersteld.
2. Het hof stelt vast dat het op 16 april 2019 bij de officier van justitie binnengekomen beroepschrift van de gemachtigde, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, geen gronden van het beroep bevat. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde, op de voet van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij brieven van 10 mei 2019 en 11 juli 2019 hierop gewezen. Daarbij is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
3. Bij de stukken bevindt zich een op 13 augustus 2019 gedateerd schrijven van de gemachtigde waarin hij reageert op de door de griffier van de rechtbank verzonden oproep van 11 juli 2019. De gemachtigde merkt op dat in weerwil van artikel 7:18 van Pro de Awb en artikel 6 van Pro het EVRM de betrokkene nog niet in het bezit is gesteld van het basale procesdossier en dat dientengevolge de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking dient te komen. Nu de gemachtigde (tijdig) het verzuim heeft hersteld, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat in weerwil van artikel 7:18 van Pro de Awb en artikel 6 van Pro het EVRM de betrokkene niet in het bezit is gesteld van het basale procesdossier en dat dientengevolge de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking dient te komen, wordt als volgt overwogen.
5. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het om het zaakoverzicht en (indien van toepassing) een foto van de gedraging.
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift van 23 november 2018 heeft verzocht om toezending van het volledige procesdossier inclusief de brondocumenten. Verder volgt uit de stukken dat de officier van justitie de gemachtigde bij (aangetekende) brief van 19 december 2018 heeft uitgenodigd voor de hoorzitting op 29 januari 2019 om 10:00 uur. Als bijlage bij deze uitnodiging is een afschrift van zowel het zaakoverzicht als de foto’s van de gedraging gestuurd. De ontvangst van deze brief en bijlagen is door de gemachtigde niet betwist. Met het toezenden van het zaakoverzicht en foto’s van de gedraging heeft de officier van justitie in dit geval voldaan aan zijn informatieplicht als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb.
7. Met betrekking tot de klacht van de gemachtigde dat hij incomplete foto’s heeft ontvangen en hij om die reden geen gronden tegen de inleidende beschikking kan formuleren, wordt overwogen dat uit het verslag van de hoorzitting van 29 januari 2019 volgt dat de gemachtigde tijdens die hoorzitting in de onderliggende zaak inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Indien de gemachtigde door de ontvangst van incomplete foto’s niet in staat was verweer te voeren, had het op zijn weg gelegen om daarvan, bijvoorbeeld in zijn brief aan de officier van justitie van 28 december 2018 of tijdens de hoorzitting, melding te maken. Dat de gemachtigde dit heeft nagelaten, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening dienen te blijven.
8. Het voorgaande brengt mee dat de officier van justitie het beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.