ECLI:NL:GHARL:2020:10213

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.249.648
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen beslissing officier van justitie in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een bestuursstrafzaak. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte en het verzuim niet binnen de gestelde termijn was hersteld.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de beroepsgronden impliciet waren opgenomen door verwijzing naar het administratief beroep en dat er een termijn was gevraagd om deze te completeren. Het hof oordeelde dat een verwijzing naar administratieve gronden zonder concrete motivering onvoldoende is om als beroepsgrond te gelden.

Het hof stelde vast dat de gemachtigde niet had gereageerd op een schriftelijke waarschuwing om het verzuim te herstellen. Daarom bevestigde het hof de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

De beslissing is genomen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en betreft een hoger beroep tegen een kantonrechterlijke beslissing in een zaak onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.249.648/01
CJIB-nummer
: 208777988
Uitspraak d.d.
: 8 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift aan de kantonrechter geen gronden bevat en dat verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij, anders dan de kantonrechter kennelijk heeft geoordeeld, wel degelijk beroepsgronden tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingediend. In zijn beroepschrift heeft hij immers om een termijn verzocht, teneinde het beroep met redenen te omkleden en aan te vullen,
in aanvulling op hetgeen reeds in de voorfase is gesteld. Dat laatste houdt volgens de gemachtigde in dat hij zijn beroepsgronden heeft geformuleerd in de vorm van een impliciete herhaling van de gronden die in het kader van het administratief beroep zijn aangevoerd. Dit betekent dat de kantonrechter ondanks het uitblijven van nadere beroepsgronden, na een daartoe strekkende uitnodiging, niet tot niet-ontvankelijkheid van het beroep kon besluiten wegens het ontbreken van gronden.
3. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. De gemachtigde - een professioneel rechtsbijstandverlener - heeft slechts volstaan met een mededeling die ertoe strekt dat de gronden van het administratief beroep worden gehandhaafd en heeft niet aangegeven waarom de officier van justitie de ingediende bezwaren niet juist heeft beoordeeld. Gelet op het voorgaande kan deze mededeling, nu het geen redenen bevat die de indiener van het beroepschrift heeft om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, niet als beroepsgrond worden beschouwd. Dit betekent ook dat de kantonrechter niet in hoefde te gaan op de in administratief beroep aangevoerde gronden.
4. Het hof stelt vast dat het beroepschrift aan de kantonrechter geen beroepsgronden bevat. Het dossier bevat een op 17 juli 2018 aan de gemachtigde verzonden proces-verbaal van zitting van de kantonrechter van 29 mei 2018, waarin de gemachtigde op dit verzuim wordt gewezen en hij in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal het verzuim te herstellen. Hierbij is gewezen op de mogelijke consequentie van het niet herstellen van het verzuim. Hierop heeft de gemachtigde niet gereageerd.
5. De kantonrechter heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het verzuim gronden in te dienen niet is hersteld en het beroep op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal deze beslissing daarom bevestigen. Het hof kan de bezwaren van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking daarom niet beoordelen.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.