ECLI:NL:GHARL:2020:10176

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 december 2020
Publicatiedatum
7 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.249.644/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 11 WahvBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens ontbreken deugdelijke bebording bij geslotenverklaring

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring op de Joseph Bechlaan in Maastricht. De sanctie was opgelegd op basis van een overtreding van artikel 62 RVV Pro 1990 in samenhang met bord C12, maar de juiste feitcode bleek R559 te zijn.

De betrokkene voerde aan dat er geen bewijs was dat er ten tijde van de overtreding deugdelijke bebording aanwezig was. De door de ambtenaar overgelegde foto's betroffen herhalingsborden en waren ongedateerd, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de bebording op het moment van de overtreding aanwezig was.

Het hof oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat het voertuig van de betrokkene het geslotenverklaringbord daadwerkelijk is gepasseerd. De ongedateerde foto's en het ontbreken van een foto waarop het voertuig het bord passeert, maken dat de overtreding niet is komen vast te staan.

Daarom vernietigt het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van € 1050,- aan de betrokkene.

Uitkomst: Het hof vernietigt de sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs van de aanwezigheid van deugdelijke bebording en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.249.644/01
CJIB-nummer
: 210411568
Uitspraak d.d.
: 7 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 26 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. H.P. Olthof, kantoorhoudende te Leiderdorp.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 augustus 2017 om 14:26 uur op de Joseph Bechlaan in Maastricht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. Naar aanleiding van het beroep van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking heeft de ambtenaar in een aanvullend proces-verbaal gesteld dat de Joseph Bechlaan gesloten is verklaard voor alle motorvoertuigen, hetgeen kenbaar wordt gemaakt door middel van bord C12, zoals
opgenomen in Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), en dat de verkeerde feitcode R550A bij de door hem vastgestelde gedraging is gebruikt. De juiste feitcode moet R559 zijn, aldus de ambtenaar.
3. Die gedraging is een overtreding van artikel 62 RVV Pro 1990 in samenhang met bord C12 van Bijlage 1 bij het RVV 1990. De daarbij behorende feitcode R559 luidt: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen”. Het hof zal de bezwaren die de gemachtigde heeft aangevoerd beoordelen in het licht van de vraag of kan worden vastgesteld dat een van de gedragingen is verricht.
4. De gemachtigde heeft betoogd dat het dossier geen foto’s bevat die het mogelijk maken om vast te stellen dat er ten tijde van de vermeende gedraging ter plaatse sprake was van deugdelijke bebording, terwijl op de door de betrokken ambtenaar ingebrachte foto’s bebording is te zien die het voertuig op het moment dat deze opnames werden gemaakt nog niet is gepasseerd. Dat gegeven zou niet ter zake doende zijn omdat het hier volgens de ambtenaar om een herhalingsbord gaat, maar de betrokkene betwist op zijn route deugdelijke bebording te hebben gezien. De door de advocaat-generaal overgelegde foto’s kunnen bovendien niet strekken tot bewijs van de aanwezigheid daarvan, aangezien die foto’s ongedateerd zijn.
5. De sanctie is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar. Het toepasselijke kader voor het door de gemeente digitaal handhaven op negatie van categorie C borden is, in het geval dit door een buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt, opgenomen in bijlage L van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, zoals die ten tijde van de oplegging van de sanctie luidde (Staatscourant 2016, 33381). Als voorwaarde waaraan bij de uitoefening van de handhavingsbevoegdheid moet worden voldaan, is daarin - onder meer - vermeld dat op de foto het voertuig en het passeren van het bord door dat voertuig zichtbaar moet zijn. Blijkens inmiddels bestendige jurisprudentie van het hof kan, als aan de hiervoor weergegeven voorwaarde niet is voldaan, op andere wijze tot vaststelling van de gedraging worden gekomen. Het dossier zal in dat geval wel andere stukken dienen te bevatten op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het toepasselijke C bord ten tijde van de gedraging op de pleeglocatie aanwezig was en dat het betreffende voertuig dit bord is gepasseerd.
6. Het hof stelt vast dat in het dossier een foto ontbreekt waarop is te zien dat met voormeld voertuig het C-bord, strekkende tot geslotenverklaring van de Joseph Bechlaan, wordt genegeerd. Het C-bord dat zichtbaar is op de door de ambtenaar overgelegde foto’s betreft, zoals de ambtenaar zelf heeft verklaard, een herhalingsbord en niet kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene dit bord passeert. Volgens de ambtenaar moet het voertuig op een eerder moment op de Joseph Bechlaan een zelfde C-bord zijn gepasseerd. Deze bebording is volgens een door de advocaat-generaal overgelegd aanvullend proces-verbaal op een duidelijke en reguliere wijze geplaatst aan beide zijden bij het binnenrijden van de Joseph Bechlaan, zoals nader wordt onderbouwd met behulp van een tweetal bij dit proces-verbaal gevoegde foto’s. Het hof is van oordeel dat deze (ongedateerde) foto’s onvoldoende bewijs opleveren om vast te kunnen stellen dat er ten tijde van de in aanmerking komende gedragingen voorafgaand aan het herhalingsbord deugdelijke bebording aanwezig was op de route die de betrokkene heeft afgelegd, te weten aan de Joseph Bechlaan. Het dossier bevat daarvoor ook overigens geen aanknopingspunten.
7. Het verweer slaagt. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat een van de in aanmerking komende gedragingen is verricht. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
8. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Aan de (als nadere toelichting op het beroep te beschouwen) reactie op de door de advocaat-generaal overgelegde informatie, moet een halve punt worden toegekend. Aan het telefonisch horen in administratief beroep dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1050,- (= 4 x € 525,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1050,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.