ECLI:NL:GHARL:2019:8188

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
8 oktober 2019
Zaaknummer
Wahv 200.223.657/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 6.4 Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen administratieve sanctie stilstandverbod

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een administratieve sanctie wegens het negeren van een stilstandverbod ongegrond verklaarde. De sanctie van €90,- was opgelegd naar aanleiding van een overtreding op 22 januari 2016 in Rotterdam.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de ambtenaar niet bevoegd was de sanctie op te leggen en dat de situatie ter plaatse onduidelijk was vanwege aanwezige parkeervakken. Ook werd aangevoerd dat er geen foto's waren gemaakt ter bewijsvoering. Het hof oordeelde dat het optreden van de ambtenaar binnen de bevoegdheden viel en dat het dossier voldoende bewijs bevatte zonder foto's. De aanwezigheid van parkeervakken was onvoldoende om de overtreding te betwisten.

Daarnaast stelde de gemachtigde dat de kantonrechter niet had beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding. Het hof stelde vast dat dit verzoek terecht werd afgewezen omdat de beschikking niet werd vernietigd. Het hof verbeterde de beslissing van de kantonrechter waar nodig en bevestigde het oordeel dat het beroep tegen de sanctie ongegrond is, en wees het verzoek om kostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen de administratieve sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.223.657/01
CJIB-nummer
: 195277336
Uitspraak d.d.
: 8 oktober 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 18 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde klaagt er over dat de kantonrechter zijn tussenbeslissing van 3 mei 2017 heeft miskend.
2. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in de overwegingen van de tussenbeslissing van 3 mei 2017 heeft geoordeeld dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is en dat hij zal beslissen op het beroep tegen de initiële beschikking. Vervolgens heeft de kantonrechter de officier van justitie de gelegenheid geboden om nadere stukken over te leggen die betrekking hebben op de gronden van dat beroep en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard. Gelet op de overwegingen van de kantonrechter betreft dit uitsluitend het beroep tegen de inleidende beschikking.
3. Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv behandelt de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en beslist daarop. Dat is hier niet gebeurd. De kantonrechter, die in de overwegingen van zijn tussenbeslissing van 3 mei 2017 tot het oordeel was gekomen dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moest worden verklaard en in zijn bestreden beslissing verwezen heeft naar de overwegingen in die tussenbeslissing en die overwegingen als uitgangspunt heeft genomen voor de daarop volgende overwegingen, had, in het dictum van de bestreden beslissing, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moeten verklaren en die beslissing moeten vernietigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen in die zin dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. De betrokkene is hierdoor niet in zijn rechtens te erkennen belangen geschaad.
4. Het hoger beroep is verder gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Verbod stil te staan (bord E2)”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 januari 2016 om 19:13 uur op de Conradstraat te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen, nu niet is gebleken dat de sanctie is gerelateerd aan de openbare orde en bovendien niet is voldaan aan de in Bijlage L van die Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar gestelde voorwaarden.
7. Het hof kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Ten tijde van het opleggen van de sanctie golden de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO). Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.
8. Voorts voert de gemachtigde aan dat de verbalisant geen foto's heeft gemaakt. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van het hof van 4 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6721.
9. Dit verweer treft ook geen doel. Het dossier bevat met de aankondiging van beschikking en het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar voldoende gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In dit geval zijn daartoe geen foto's nodig. De ambtenaar, heeft overigens, anders dan de gemachtigde kennelijk meent, niet verklaard dat er foto's zijn gemaakt.
10. Ook voert de gemachtigde aan dat de situatie ter plaatse zeer onduidelijk is. Er staan weliswaar borden E2 maar er zijn ook specifieke parkeerhaventjes teneinde de auto te plaatsen, die met een P-bord worden aangeduid. De gedraging kan de betrokkene derhalve niet worden verweten, aldus de gemachtigde. Ter onderbouwing van het verweer heeft hij een foto van de Conradstraat ingebracht.
11, Niet is aannemelijk geworden dat sprake was van een dermate onduidelijke situatie dat de betrokkene niet kan worden verweten de gedraging te hebben verricht. De enkele omstandigheid dat (op de door de gemachtigde overgelegde foto's is te zien dat) in de Conradstraat parkeervakken aanwezig zijn, is daartoe onvoldoende.
12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
13. Tenslotte klaagt de gemachtigde erover dat kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, terwijl er, gelet op de schending van de hoorplicht, wel aanleiding was voor de toekenning daarvan.
14. Het hof stelt vast dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Aangezien de inleidende beschikking niet is vernietigd, kon de kantonrechter dit verzoek slechts afwijzen (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Gelet hierop bestaat geen belang bij vernietiging van de bestreden beslissing op dit punt.
15. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
16. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wordt afgewezen onder verwijzing naar het in overweging 14. genoemde arrest.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.