Uitspraak
1.[appellant] ,
[appellanten] c.s.,
[geïntimeerde] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw beslist. De geïntimeerde had betoogd dat hij voorafgaand aan het aangaan van de huurovereenkomst met de appellanten had meegedeeld dat hij op het gehuurde adres ingeschreven zou blijven staan. Het hof oordeelde dat de geïntimeerde niet slaagde in zijn bewijsopdracht, omdat de overgelegde schriftelijke verklaring van de makelaar onvoldoende was om deze stelling te onderbouwen.
De makelaar verklaarde dat het woonadres van de geïntimeerde aan de orde was geweest en dat post door huurders zou worden doorgegeven aan het kantoor, maar er was geen bewijs dat de appellanten uitdrukkelijk waren geïnformeerd over de inschrijving van de geïntimeerde op het adres. Ook was er geen bewijs dat eventuele financiële nadelen zouden worden gecompenseerd.
Gelet op het ontbreken van voldoende bewijs werd de vordering van de appellanten, beperkt tot € 2.890,- conform een gewijzigde beschikking van de Belastingdienst, toegewezen. De wettelijke rente werd vastgesteld vanaf 3 november 2016, de datum van de inleidende dagvaarding. De vordering tot buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De geïntimeerde is veroordeeld tot betaling van € 2.890,- schadevergoeding met wettelijke rente vanaf 3 november 2016.