Uitspraak
de man
de vrouw,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1989 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd en hebben samen een woning gekocht die op naam van de vrouw stond. Na het feitelijk uiteengaan in 2012 bleef de man in de woning wonen en betaalde hij een vergoeding voor de hypotheeklasten tot november 2014. De vrouw verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening, waarna de man de woning moest verlaten in februari 2015. Kort daarna werd brand gesticht en vernielingen aangericht in de woning. De man werd aanvankelijk veroordeeld voor brandstichting, maar in hoger beroep vrijgesproken.
De vrouw vorderde in eerste aanleg schadevergoeding voor de vernielingen, stellende dat er sprake was van een huurovereenkomst of subsidiair een overeenkomst van bewaarneming of onrechtmatige daad. De rechtbank wees de vordering toe op grond van het wettelijke vermoeden van artikel 7:218 BW Pro, omdat zij uitging van een huurovereenkomst.
Het hof oordeelt dat geen huurovereenkomst bestond tussen partijen, omdat geen huurcontract was opgesteld en de betaling slechts een vergoeding voor hypotheeklasten betrof. Ook de subsidiaire grondslagen worden verworpen: er was geen bewaarnemingsovereenkomst en de onrechtmatige daad is onvoldoende bewezen. De vrouw kon niet aantonen dat de man de vernielingen had gepleegd. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering af, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering van de vrouw tot schadevergoeding wegens vernielingen aan de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van een huurovereenkomst en onvoldoende bewijs van onrechtmatige daad.