In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen een administratieve sanctie niet-ontvankelijk had verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging van de gemachtigde. Het hof oordeelt dat de kantonrechter het verzuim ten onrechte niet heeft laten herstellen en vernietigt deze beslissing.
Het hof beoordeelt vervolgens het beroep zelf. De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het met een stilstaand voertuig gebruikmaken van een voetpad. De gemachtigde betwist dat de betrokkene de gedraging heeft verricht en voert aan dat het voertuig niet op de aangegeven locatie was en dat de verbalisant zich heeft vergist.
Het hof stelt vast dat de ambtenaar de sanctie op juiste wijze heeft opgelegd op basis van een verklaring dat het voertuig geparkeerd stond op een voetpad zonder geldige ontheffing, ondanks dat er geen foto is gemaakt. De betrokkene heeft onvoldoende concrete feiten aangevoerd om twijfel te zaaien over de juistheid van deze verklaring. Daarom wordt de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard, maar het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard.