ECLI:NL:GHARL:2019:5754

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
21-002025-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 2 Algemene wet op het binnentreden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens belemmering toezichthouder tijdens controle in pand

Op 16 september 2014 belemmerde verdachte, die als advocaat zijn cliënt bijstond, een toezichthouder van de gemeente tijdens een controle in een pand door deze een duw te geven. De toezichthouder voerde toezicht uit op grond van de Algemene wet op het binnentreden en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De politierechter sprak verdachte vrij, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit vonnis en verklaarde verdachte schuldig. Het hof verwierp verweren gericht op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens willekeur, schending van de goede procesorde en tijdsverloop. Ook stelde het hof vast dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door toezichthouders.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de toezichthouder opzettelijk belemmerde door hem te duwen, maar niet dat de toezichthouder ten val kwam. Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €150 en drie dagen hechtenis, waarbij de hechtenis kan worden omgezet bij niet-betaling. Het hof benadrukte dat het gedrag van verdachte, juist in zijn rol als advocaat, geen respect voor autoriteiten toonde en niet gerechtvaardigd kon worden door zijn onvrede over de controle.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €150 en drie dagen hechtenis wegens het opzettelijk belemmeren van een toezichthouder.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002025-18
Uitspraak d.d.: 11 juli 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 28 maart 2018 met parketnummer 08-020276-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en schuldigverklaring van verdachte ter zake van dit feit, zonder oplegging van straf.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. H.J. Smit, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte op (samengevat) de volgende gronden:
1. Willekeur en handelen in strijd met de goede procesorde;
2. Tijdverloop in de procedure in hoger beroep en totale duur van het strafproces.
Het hof en overweegt met betrekking tot deze gronden als volgt.
1.
Willekeur
Bij de beoordeling van deze grond moet worden vooropgesteld dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het verweer wordt verworpen.
Goede procesorde
Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is slechts aan de orde wanneer het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren in het voorbereidend onderzoek ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (Zwolsman-criterium) of indien sprake is van een vormverzuim dat het wettelijk systeem in de kern heeft aangetast (Karman-criterium).
Naar het oordeel van het hof leidt al hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot aangever [naam1] niet tot schendingen zoals bedoeld met het Zwolsman- en/of Karman-criterium. Het verweer wordt verworpen.
2.
Tijdverloop in de procedure in hoger beroep en de totale duur van het strafproces
Het hof vat dit verweer op als een beroep op schending van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wegens onredelijke vertraging in de vervolging van verdachte.
Daargelaten de omstandigheid dat het dossier binnen acht maanden na het instellen van hoger beroep bij het hof is ingekomen, de procedure in hoger beroep binnen de termijn van twee jaren zal zijn afgerond en de totale duur van het proces niet onredelijk lang is
- gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - en er derhalve geen sprake is van een onredelijke vertraging in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, leidt een eventuele vertraging gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte (recent herhaald in het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 april 2018, ECLI:NL:HR:558). Het hof verwerpt daarom ook dit beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 september 2014 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende [naam1] , juridisch medewerker handhaving voor de gemeente [gemeente] en tevens aangewezen als toezichthouder van de gemeente [gemeente] belast met de uitoefening van enig toezicht, op grond van artikel 2 van Pro de Algemene wet op het binnentreden en/of artikel 5.10 en/of 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een pand/woning op of aan de [adres] te [plaats] had betreden ter controle van de naleving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of het ter plaatse geldende bestemmingsplan, deze door die toezichthouder ter uitvoering van die controle ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet en/of belemmerd en/of verijdeld, door voornoemde ambtenaar (met kracht) te duwen en/of ten gevolge waarvan die ambtenaar ten val is gekomen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Voor zover de verdediging stelt dat sprake was van een situatie waarin een toezichthouder onrechtmatig zou hebben opgetreden en dat dit tot vrijspraak moet leiden, overweegt het hof het volgende. Het hof stelt vast dat in ieder geval geen sprake is van een onrechtmatig handelen in het kader van een opsporingsonderzoek jegens deze verdachte. Het ten laste gelegde heeft zich afgespeeld in een situatie waarin sprake was van de uitoefening van de toezichthoudende taak van medewerkers van bouw- en woningtoezicht van de gemeente [gemeente] . Dit betekent dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 september 2014 te [plaats] toen de aldaar dienstdoende [naam1] , juridisch medewerker handhaving voor de gemeente [gemeente] en tevens aangewezen als toezichthouder van de gemeente [gemeente] belast met de uitoefening van enig toezicht, op grond van artikel 2 van Pro de Algemene wet op het binnentreden en/of artikel 5.10 en/of 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
een pand/woning aan de [adres] te [plaats] had betreden ter controle van de naleving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het ter plaatse geldende bestemmingsplan,
deze door die toezichthouder ter uitvoering van die controle ondernomen handelingen opzettelijk heeft belemmerd, door voornoemde ambtenaar te duwen.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [naam1] door de duw van verdachte ten val is gekomen. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging (partieel) vrijgesproken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte stond op 16 september 2014 als advocaat zijn cliënt bij toen toezichthouders van de gemeente [gemeente] , in het bezit van een machtiging tot binnentreden, een controle wilden verrichten in een pand van zijn cliënt. Verdachte kon zich niet vinden in de manier waarop de toezichthouders te werk gingen, meer in het bijzonder niet dat in het pand (film-)beelden werden opgenomen. Hij heeft een van de toezichthouders een duw gegeven en daarmee de toezichthouder belemmerd in zijn werk. Dat verdachte het niet eens was met het maken van opnames door de toezichthouders, wat daar ook van zij, kan zijn handelen op geen enkele wijze rechtvaardigen. Door zijn handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de autoriteiten.
Het hof neemt het verdachte kwalijk dat hij het feit heeft gepleegd terwijl hij aan het werk was in zijn professionele rol als rechtsbijstandsverlener. Een advocaat is bij uitstek iemand die de belangen van zijn cliënt dient te behartigen op een gedegen manier en de rust dient te bewaren in situaties die, zoals in deze zaak kennelijk het geval was, hectisch en ingrijpend voor een cliënt kunnen zijn. Met name deze omstandigheden maken dat het hof geen toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals gevorderd door de advocaat-generaal.
Het hof is van oordeel dat de door het openbaar ministerie oorspronkelijk aangeboden transactie, een geldboete van € 150,-, een passende straf is. Daarbij heeft het hof het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 mei 2019 betrokken, waaruit blijkt dat verdachte niet eerde ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 184 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
3 (drie) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. A. van Holten en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 11 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.