ECLI:NL:GHARL:2019:5596
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij voordeel trekken uit misdrijf
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wegens het opzettelijk voordeel trekken uit een uitkering die verkregen was door het niet voldoen aan inlichtingenverplichtingen door zijn medeverdachte. Het hof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad.
De tenlastelegging betrof het bewust profiteren van een uitkering die was verkregen door het niet doorgeven van gewijzigde woonsituatie door de medeverdachte, met wie verdachte een gezamenlijke huishouding voerde. De advocaat-generaal stelde dat verdachte de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld afkomstig was van een misdrijf.
De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was voor (voorwaardelijk) opzet van verdachte op het misdrijf van de medeverdachte. Het hof oordeelde dat het voordeel trekken uit opbrengst van een misdrijf alleen strafbaar is indien opzet bestaat op zowel het voordeel als de herkomst uit een misdrijf. Het dossier bood geen aanknopingspunten voor opzet van verdachte, zodat het hof het ten laste gelegde niet bewezen achtte en verdachte vrijsprak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor opzet op voordeel trekken uit misdrijf.