ECLI:NL:GHARL:2019:4762
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnissen inzake schadevergoeding wegens inbraak na bewijsvermoeden
In deze civiele zaak stond een vordering tot schadevergoeding wegens een inbraak centraal. Het hof verwees naar een eerder arrest van 26 februari 2019 waarin op basis van getuigenverklaringen, een inkoopfactuur, strafrechtelijke verklaringen en aangifte een bewijsvermoeden werd aangenomen dat de geïntimeerde op de dag van de inbraak €6.000,- in huis had.
De appellant had de mogelijkheid gekregen tegenbewijs te leveren, maar heeft hiervan afgezien. Het hof zag geen reden om terug te komen op het bewijsvermoeden en stelde vast dat het bedrag daadwerkelijk aanwezig was. De grief tegen het bewijsoordeel van de rechtbank werd daarom verworpen.
Het hoger beroep faalde en de vonnissen van 2 november 2016 en 21 juni 2017 werden bekrachtigd. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die aan de zijde van de geïntimeerde werden vastgesteld op €313,- griffierecht en €759,- advocaatkosten, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
Uitkomst: Het hoger beroep faalt en de vonnissen inzake schadevergoeding wegens inbraak worden bekrachtigd.