Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Samen Veilig Midden Nederland,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder verzocht om wijziging van de voogdijinstelling over haar twee kinderen, waarbij zij wilde dat het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering de voogdij zou uitvoeren in plaats van de huidige gecertificeerde instelling (GI). Zij stelde dat de GI een negatieve en niet onderbouwde visie op haar had, er geen persoonlijke band was met de voogd en dat zij onvoldoende betrokken werd bij beslissingen over de kinderen. Daarnaast wees zij op mogelijke belangenverstrengeling vanwege een familielid werkzaam bij de GI.
De rechtbank had het verzoek van de moeder reeds afgewezen en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat artikel 1:259 BW Pro, dat ziet op ondertoezichtstellingen, niet analoog toepasbaar is op voogdijzaken. Voor voogdij is artikel 1:328 BW Pro van toepassing, dat strikte criteria stelt voor beëindiging van de voogdij door een gecertificeerde instelling.
De moeder kon niet aantonen dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, dat de GI haar taken onverantwoord uitvoert of dat de GI de raad voor de kinderbescherming niet op de hoogte houdt. Zowel de GI als de raad voor de kinderbescherming waren tegen wijziging van de voogdijinstelling. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot wijziging van de voogdijinstelling af.