Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland waarin het ouderlijk gezag van de vader en moeder over hun drie kinderen werd beëindigd. De ouders verbleven met de kinderen in Nederland na vlucht uit Duitsland en werden verdacht van mishandeling en verwaarlozing.
De rechtbank had de gezagsbeëindiging en de voogdij benoeming aan de gecertificeerde instelling (GI) vastgesteld. De ouders voerden in hoger beroep aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was en dat de voogdij aan familie of Duitse instanties moest worden toegewezen.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland en dat Nederlands recht van toepassing is. Uit het dossier bleek dat de kinderen ernstig mishandeld en verwaarloosd waren, met blijvende trauma's. De ouders waren niet in staat tot adequate opvoeding en hadden een strafrechtelijke veroordeling voor kindermishandeling.
Het hof vond dat het belang van de kinderen gediend is met continuïteit en stabiliteit in het gezinshuis waar zij nu verblijven. Plaatsing in Duitsland was niet haalbaar gebleken. Daarom werd de voogdij aan de GI toegekend. De bestreden beschikking werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.