ECLI:NL:GHARL:2019:3899

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 mei 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
WAHV 200.219.419
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:18 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-indienen gronden na verstrekte stukken

In deze zaak is het hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van betrokkene tegen een beschikking van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betreft de niet-ontvankelijkheid van het beroep omdat de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend.

De gemachtigde van betrokkene had verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het zaakoverzicht en foto's van de gedraging, die ook zijn verstrekt. Het verzoek om het ijkrapport werd niet gehonoreerd omdat dit geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, tenzij er concrete twijfel over de ijking bestaat, wat hier niet het geval was.

De officier van justitie gaf meerdere hersteltermijnen voor het indienen van de gronden, maar de gemachtigde heeft deze niet benut. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

Het hof overwoog dat de termijn voor het indienen van gronden geen termijn van openbare orde is, maar dat overschrijding wel kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook een te late reactie van de officier van justitie leidt niet tot vernietiging van de beslissing.

Gelet op deze overwegingen bevestigt het hof het vonnis van de kantonrechter en wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 200.219.419
6 mei 2019
CJIB 197196888
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 28 april 2017
betreffende
Stichting [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzuim de gronden in te dienen niet door de gemachtigde is hersteld. De kantonrechter heeft het beroep tegen deze beslissing ongegrond verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zolang de kerndocumenten niet bekend zijn, is het logisch dat er geen gronden kunnen worden doorgegeven. Ook stelt de gemachtigde dat een door een bestuursorgaan gegeven hersteltermijn niet een termijn van openbare orde is. Daarom heeft die niet de verstrekkende consequentie van niet-ontvankelijkheid. Dat heeft in beginsel alleen een wettelijke termijn, zoals de bezwaartermijn. Bovendien heeft de gemachtigde wel binnen de termijn verzocht om uitstel omdat er fundamentele processtukken ontbraken, zodat de hersteltermijn niet ongebruikt is verstreken. Daarnaast is er sprake van onbehoorlijk bestuur door de officier van justitie omdat de officier van justitie op verschillende momenten te laat reageerde. Dit is in strijd met de reactietermijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Indien een beroepschrift – in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb – geen gronden bevat, moet de indiener daarvan op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb een termijn worden gegeven om deze alsnog in te dienen. Als door de indiener is verzocht om op de zaak betrekking hebbende stukken, moet de termijn ingaan na toezending van de stukken. De termijn voor het indienen van gronden is geen termijn van openbare orde. Dat wil zeggen dat de rechter die termijn niet ambtshalve controleert, dus zonder dat één van de partijen daarover iets naar voren heeft gebracht. Dit betekent echter niet dat overschrijding van de termijn niet tot gevolg kan hebben dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb heeft de officier van justitie de bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als het niet voldoet aan de vereisten in artikel 6:5 van Pro de Awb en dit verzuim ook niet is hersteld.
4. Artikel 7:18, vierde lid, van de Awb voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om gedurende het administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging.
5. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft gevraagd om alle op de overtreding betrekking hebbende documenten. De CVOM heeft bij een brief van 3 augustus 2016 als bijlage het zaakoverzicht aan de gemachtigde verstrekt. Per brief met datum 11 augustus 2016 heeft de officier van justitie de gemachtigde de gelegenheid geboden om de gronden van het beroep in te dienen. Per brief van 16 augustus 2016 heeft het CJIB de foto's van de gedraging aan de gemachtigde toegestuurd. De gemachtigde heeft per brief van 30 augustus 2016 wederom verzocht om alle documenten en specifiek om het brondocument en het ijkrapport. Hij heeft ook om een nadere termijn verzocht. Per brief van 23 september 2016 heeft de officier van justitie opnieuw een termijn van vier weken gegeven voor het indienen van gronden. In deze brief is er op gewezen dat het niet verstrekken van de verzochte gegevens ertoe kan leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Omdat de gemachtigde de gronden van het beroep niet heeft ingediend, is het administratief beroep op 3 november 2016 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het hof stelt vast dat in dit geval met het toesturen van een zaakoverzicht en de foto's van de gedraging de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Voor wat betreft het onbeantwoorde verzoek om een ijkrapport merkt het hof op dat informatie omtrent de ijking van meetapparatuur, waaronder bijvoorbeeld het ijkrapport, in het algemeen geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. Dat is slechts anders als redelijkerwijs twijfel bestaat over de ijking van de apparatuur (vgl. het arrest van het hof van 5 april 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:3187). De gemachtigde heeft in het geheel
niet aangegeven om welke reden hij het ijkrapport wenst te ontvangen. Het enkele verzoek om deze informatie vormt voor het hof geen aanleiding om in deze zaak informatie omtrent de ijking van de meetapparatuur aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken.
7. Nu de gemachtigde beschikte over de op de zaak betrekking hebbende stukken, daarna een termijn heeft gekregen voor het indienen van gronden en de gemachtigde vervolgens geen gronden heeft ingediend, heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
8. Ten aanzien van de stelling dat de officier van justitie termijnen heeft overschreden door te laat te reageren overweegt het hof dat, hoewel het onzorgvuldig te noemen is, een termijnoverschrijding door de officier van justitie in beginsel er niet toe leidt dat diens beslissing wordt vernietigd. Hetgeen de gemachtigde in dat verband heeft opgemerkt leidt het hof niet tot een ander oordeel op dat punt.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen. Het verzoek tot vergoeding van de kosten zal worden afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.