In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2017, waarbij veroordeelde werd veroordeeld tot betaling van €51.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bevestigd.
Het hof verwierp het verweer van de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens schending van het recht op een eerlijk proces, omdat de tenlastelegging was beperkt tot een kortere periode dan de aanvangsdatum van het bevel tot bewaring. Het hof oordeelde dat geen sprake was van ernstige schendingen van de procesorde.
Verder verwierp het hof het betoog dat de gegevens van Stena Line onbetrouwbaar zouden zijn en dat niet bewezen kon worden dat bij elke overtocht verdovende middelen werden vervoerd. Het hof achtte de verklaringen en omstandigheden voldoende om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen.
Hoewel het hof een lichte overschrijding van de redelijke termijn constateerde, achtte het dit niet reden voor een andere beslissing. Ook het verweer dat veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om te betalen werd verworpen, omdat dit in de executiefase aan de orde behoort te komen.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en legde de betalingsverplichting van €51.000 aan de veroordeelde op.