19uur stil gestaan.
Ook werd in de cabine de agenda van [medeveroordeelde 1] aangetroffen.Hierin werd een uitdraai van de
tachograaf aangetroffen, waarbij de laatste tien foutmeldingen die met de bestuurderskaart
van [medeveroordeelde 1] waren veroorzaakt, waren geregistreerd. Bij vijf van deze meldingen is het
kenteken [kenteken] geregistreerd.
Uit het voorgaande blijkt dat [medeveroordeelde 1] voordat hij met de [kenteken] ging rijden in 2013 en
2014 op de [kenteken] heeft gereden.
Overtochtgegevens van Stena Line
Uit gegevens van Stena Line blijkt dat de vrachtwagen met kenteken [kenteken] , met
oplegger, in de periode van maart 2014 tot en met 30 september 2015 bijna wekelijks
- buiten de periodes rond de zomervakantie - is verscheept naar Harwich (Verenigd
Koningrijk) vanaf Hoek van Holland. De chauffeur betrof telkens [medeveroordeelde 1] . De lading is - met
uitzondering van twee keer- telkens omschreven als: ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] of ‘ [naam] ’.
Vanaf 12 maart 2014 tot en met 9 september 2015 hebben 56 overtochten plaatsgevonden,
telkens op woensdag.
Uit de gegevens van Stena Line B.V. blijkt dat de vrachtwagen met kenteken [kenteken] ,
met oplegger, in de periode van maart tot en met december 2013 ook bijna wekelijks
- buiten de periodes rond de zomervakantie - is verscheept naar Harwich (Verenigd
Koningrijk) vanaf Hoek van Holland. Ook in deze periode was de chauffeur telkens [medeveroordeelde 1]
en is de lading telkens omschreven als: ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] of ‘ [naam] ’. Vanaf 6 maart 2013
tot en met 18 december 2013 hebben 28 overtochten plaatsgevonden, waarvan het
merendeel op woensdag.
Door de verdediging is zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak verweer gevoerd
met betrekking tot de betrouwbaarheid van de van Stena Line verkregen informatie.
De rechtbank heeft de hiertoe naar voren gebrachte argumenten reeds besproken in het
vonnis van de hieraan ten grondslag liggende strafzaak van 22 december 2016.
Geconcludeerd is dat de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid
van de door Stena Line verstrekte gegevens. Deze zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit ontnemingsvonnis worden deze overwegingen
hier niet herhaald. De overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden
beschouwd.
Contact [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] over overtochten
In de Peugeot 206 waarin [medeveroordeelde 2] op 10 november 2015 naar de loods van [bedrijf 1] is
gekomen zijn drie telefoonnummers aangetroffen, eindigend op [nummer] , [nummer] en [nummer] .
Aan de hand van de inhoud van twee van deze telefoons is vastgesteld dat reeds vanaf 2013
contact heeft plaatsgevonden tussen [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] .
[medeveroordeelde 2] heeft de volgende SMS-berichten verzonden naar het telefoonnummer van [medeveroordeelde 1]
(eindigend op 167):
op 10 maart 2013: ‘Oke thnx mate’
op 17 maart 2013: ‘Youre booked mate’
[medeveroordeelde 2] heeft een SMS-bericht ontvangen:
op 27 juli 2013: ‘for got tex home mate nise to see you yesterday and we
need to get newer truck mate so it all looks good mate’
Ook heeft [medeveroordeelde 2] in oktober 2013 drie SMS-berichten ontvangen inhoudende een
boekingsbevestiging van Burger Ferry Agencies voor de overtocht van Engeland naar
Frankrijk van de vrachtwagen met kenteken [kenteken] .
In het strafvonnis van [veroordeelde] heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij wettig en
overtuigend bewezen acht dat de volgende verdachten gebruikers waren van onder meer
de volgende telefoonnummers:
[telefoonnummer] [medeveroordeelde 1]
[telefoonnummer] [medeveroordeelde 2]
[telefoonnummer]
[medeveroordeelde 2]
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit ontnemingsvonnis worden de hieraan ten
grondslag liggende wettige bewijsmiddelen, zoals gebezigd in het strafvonnis van
22 december 2016, hier niet herhaald Deze bewijsmiddelen dienen als hier herhaald en
ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank gaat ervan uit dat het hierboven vermelde SMS-bericht dat [medeveroordeelde 2] op
27 juli 2013 heeft ontvangen afkomstig is van [medeveroordeelde 1] , gelet op de inhoud, redactie en
spellingswijze die overeenkomen met andere SMS-berichten waarvan vaststaat dat deze
door [medeveroordeelde 1] zijn verstuurd.
Betaling Burger Ferry Agencies
De verschepingen zijn geboekt door Burger Ferry Agencies BV.Dit gebeurde in de
periode van 1 januari 2015 tot en met augustus 2015 in opdracht van [bedrijf 3]
op naam van [medeveroordeelde 6] .De eerste girale betaling van [bedrijf 2] aan Burger
Ferry Agencies heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013.Aan de hand van de
bankafschriften van [bedrijf 2] is gebleken dat in de periode van 3 december 2014
tot en met 7 juli 2015 in totaal € 26.700,83 aan Burger Ferry Agencies is betaald, kennelijk
voor de overtochten van de [kenteken] .
Tenaamstelling oplegger OL-12-JL
De bij de drugstransporten gebruikte oplegger met kenteken [kenteken] heeft vanaf 11 april
2013 tot en met 2 mei 2014 op naam gestaan van [bedrijf 2] . Per 10 december 2014
is [medeveroordeelde 6] de tenaamgestelde van deze oplegger.
Aankoop vrachtwagen [kenteken]
De bij de drugstransporten gebruikte trekker met kenteken [kenteken] heeft vanaf 6 maart
2014 tot en met 6 maart 2015 op naam gestaan van [bedrijf 2] . [bedrijf 1] is met ingang
van 6 maart 2015 de tenaamgestelde van de vrachtwagen.
Bij de doorzoeking van de woning van [medeveroordeelde 2] op 10 november 2015 werd administratie
aangetroffen van de aankoop van een DAF truck bij [bedrijf 4] BV op naam van
[bedrijf 2] van januari 2014.Door verkoper [getuige 1] is verklaard dat hij de
truck met kenteken [kenteken] aan [bedrijf 2] heeft verkocht.De kopers vertelden
hem dat zij op Engeland zouden gaan rijden met de truck. In de administratie van de
verkoop van [getuige 1] is een kopie van het rijbewijs van [medeveroordeelde 6] aanwezig.
[getuige 1] verklaart echter dat [medeveroordeelde 6] niet aanwezig was bij de verkoopen herkent bij
een fotoconfrontatie [veroordeelde]als de koper van de truck en [medeveroordeelde 1]als de chauffeur.
[veroordeelde] heeft ter zitting bevestigd betrokken te zijn geweest bij de aankoop van deze
vrachtwagen.
Verklaring [medeveroordeelde 6] over [bedrijf 2]
[medeveroordeelde 6] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] , dat per augustus
2012 ook wel handelt onder de naam [bedrijf 3] , gevestigd te Amersfoort.
[medeveroordeelde 6] heeft verklaard op papier eigenaar te zijn geweest van [bedrijf 2] . [veroordeelde] (de
rechtbank begrijpt: [veroordeelde] ) heeft hem benaderd omdat hij gebruik wilde maken van deze
vennootschap om transporten mee te gaan doen.Hiervoor krijgt [medeveroordeelde 6] een vergoeding
van [veroordeelde] in de vorm van € 1.500,- salaris per maand.Dit bedrag zou [veroordeelde] elke maand
storten op de privérekening van [medeveroordeelde 6] , gebruikmakend van de rekening van [bedrijf 2]
. [medeveroordeelde 6] heeft zelf geen activiteiten ondernomen vanuit het bedrijf.
[medeveroordeelde 6] heeft een vrachtwagen op zijn naam gehad die door [veroordeelde] is gekocht.Ook is hij
door [veroordeelde] gevraagd om een oplegger op naam van [bedrijf 2] te zetten.Het
bedrijfspand is uitgezocht door [veroordeelde]en de huur werd ook door hem betaald, aldus
[medeveroordeelde 6] .
[medeveroordeelde 6] hoorde van [medeveroordeelde 3] dat de oplegger op Engeland reed. De trailer werd gebruikt door
een Engelsman. [medeveroordeelde 6] wist dat [medeveroordeelde 3] handelingen verrichtte op dinsdagen. [medeveroordeelde 6] zegt
hierover dat hij natuurlijk wel aanvoelde dat er iets niet aan klopte.
Controle van de vrachtwagen en oplegger op 4 november 2014
Op 4 november 2014 is de vrachtwagen met kenteken [kenteken] , bestuurd door [medeveroordeelde 1] ,
gecontroleerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT).[medeveroordeelde 1]
verklaarde aan de ILT werkzaam te zijn voor [bedrijf 3] . Volgens de vrachtbrief
betrof de lading staal met een gewicht van 18.824 kilogram, afkomstig van [bedrijf 5]
(Verenigd Koninkrijk) en bestemd voor [bedrijf 5] Rotterdam.[medeveroordeelde 6] is
op 19 maart 2015 door de ILT gehoord. Hij verklaarde directeur te zijn van [bedrijf 2]
, handelend onder de naam [bedrijf 3] , en eigenaar van de
vrachtwagen.
De oplegger met kenteken [kenteken] is na de controle door de ILT losgekoppeld en verder
vervoerd door [bedrijf 6] BV.De eigenaar van dat bedrijf,
[getuige 2] , verklaarde dat dit is gebeurd op verzoek van [veroordeelde] .
[veroordeelde] heeft bevestigd aan [bedrijf 6] Transport te hebben gevraagd om de oplegger na
de controle op te halen.
Verklaring transporteur [medeveroordeelde 5]
is sinds de oprichting in 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van
[bedrijf 1] Holding B.V., welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurder is van [bedrijf 1] .
[medeveroordeelde 5] heeft het afgelopen jaar, vanaf maart 2015,één keer per week voor de
opdrachtgever [bedrijf 2] gereden (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 2] ). Het transport
betrof altijd een rol staal van Nederland naar Engeland, uitgevoerd door [medeveroordeelde 1] .Hij ontving
hiervoor € 1.240,- per rit.Het contact met de klant ging via e-mail. De berichten werden
ondertekend met de naam [medeveroordeelde 6] .[medeveroordeelde 1] kwam altijd met de vrachtwagen op dinsdag
naar de loods om het CMR-formulier en de overtochtpapieren op te halen.
[medeveroordeelde 4] heeft hem de klant aangereikt. Hij vertelde aan [medeveroordeelde 5] dat hij iemand
had voor ritten naar Engeland.
Als aan [medeveroordeelde 5] een foto wordt getoond van [veroordeelde] zegt [medeveroordeelde 5]
hem voor 90% te herkennen als de man die bij hem is geweest voor de aankoop van de
vrachtwagen en de opdracht voor het transport.[medeveroordeelde 5] verklaart dat deze
jongen (de rechtbank begrijpt: [veroordeelde] ) hem vertelde dat zij al op Engeland reden.
De memobriefjes
In de loods is in het kantoorgedeelte van de portocabin een rugzak met inhoud aangetroffen.
In het voorvak van de rugzak zat een factuur van een apotheek en een doosje met
medicijnen, beide gericht aan [medeveroordeelde 2] . In de rugtas werd een 19-tal notities aangetroffen
met daarop bedragen en kennelijke aantallen.
De rechtbank deelt de interpretatie die hieraan in het Rapport berekening wederrechtelijk
verkregen voordeel wordt gegeven, namelijk de volgende.
Van deze memobriefjes zijn 16 aangemerkt als opbrengstenverantwoording van het
transport van verdovende middelen gelet op de vermelding van vervoerde hoeveelheden,
de ontvangen vergoeding per kilo, kostenposten en (bij)naamsverwijzingen. Voor het
vervoer van de harddrugs naar Engeland ontving de organisatie een vergoeding die
bestond uit een vast bedrag per kilogram van € 1.600,-. Deze vergoeding is vermeld op
alle 16 memobriefjes. Op de memobriefjes worden hoeveelheden vermenigvuldigd met de
te ontvangen vergoeding voor transport ad € 1.600,-, welke som de opbrengst oplevert.
Gespecificeerde kostenposten naar personen, uitvoeringshandelingen of ondernemingen
worden bij elkaar opgeteld en in mindering gebracht op deze opbrengsten. Het resultaat
hiervan wordt uiteindelijk gedeeld door twee personen, aangeduid met ‘p.p.’.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebezigde wettige bewijsmiddelen
voldoende aanwijzingen bestaan dat het strafbare handelen van de organisatie, te weten het
exporteren van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk, ook voorafgaand aan 15 september
2015 heeft plaatsgevonden.
Reeds vanaf maart 2013 heeft [medeveroordeelde 1] als chauffeur transport van staal naar het Verenigd
Koninkrijk uitgevoerd, eerst met de vrachtwagen met kenteken [kenteken] en later met de
vrachtwagen met kenteken [kenteken] . Dat de lading telkens uit een rol staal bestond blijkt
uit de registratie door Stena Line en wordt ondersteund door de waarneming op 4 november
2014 tijdens de ILT-controle. Dat de lading ook telkens verdovende middelen bevatte volgt
uit de (grotendeels) ongewijzigde modus operandi. Uit de tachograafgegevens blijkt dat al
geruime tijd voor de bewezen verklaarde periode volgens hetzelfde vaste patroon werd
gereden, waarbij elke dinsdag tussen ongeveer 17.00 uur en 19.00 uur tijd was om de
verdovende middelen te laden. De gebruikte oplegger met kenteken [kenteken] stond ook al
per april 2013 op naam van [bedrijf 2] . Reeds in maart 2013 werden overtochten
geboekt door Burger Ferry Agencies in opdracht van [bedrijf 2] en verstuurde
[medeveroordeelde 2] – kennelijk na het boeken van die overtocht – een SMS aan [medeveroordeelde 1] met de tekst ‘youre booked mate’.
De rechtbank stelt vast dat de organisatie ten minste in maart 2013 is aangevangen met het uitvoeren van drugstransporten op overwegend dezelfde wijze als de bewezen verklaarde transporten in september tot en met november 2015. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat hiermee door betrokkenen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen.’
In aanvulling op de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende.
Betrouwbaarheidsverweer betreffende de gegevens van Stena Line
Door de verdediging is aangevoerd dat de gegevens van Stena Line onbetrouwbaar zouden zijn en daarom niet vaststaat dat bij iedere overtocht sprake was van een oplegger en -als daar al sprake van was- een rol staal gevuld met drugs. In aanvulling op de overwegingen die de rechtbank hieromtrent reeds heeft gemaakt, wordt door het hof nog het volgende overwogen.
Uit de in hoger beroep tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de heer [getuige 3] van Stena Line is gebleken dat Stena Line uitgaat van de gegevens die zij aangeleverd krijgen van de chauffeur of de opdrachtgever; dat de lengte en de lading niet daadwerkelijk gecontroleerd worden en dat slechts sprake was van een visuele controle, die niet waterdicht is. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat getwijfeld dient te worden aan de juistheid van de gegevens van Stena Line. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat bij een aantal transporten geen of een afwijkend trailernummer is genoteerd kennelijke verschrijvingen betreffen. Daar komt bij dat door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt waarom alleen met een truck - zonder oplegger - op en neer zou zijn gereden en waar dan op dat moment de oplegger met de rol staal zou zijn gebleven. Bovendien duidt de verklaring van [getuige 3] erop dat bij de transporten waarbij geen trailernummer is genoteerd wel degelijk met oplegger gereden kan zijn.
Telkens verdovende middelen in de rol staal
Door de verdediging is voorts aangevoerd dat niet geconcludeerd kan worden dat bij iedere gestelde overtocht sprake is geweest van het vervoeren van verdovende middelen.
In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op dit punt merkt het hof op dat zo zonder meer niet valt in te zien waarom [medeveroordeelde 1] met de truck, de oplegger en steeds dezelfde rol staal zonder inhoud op een neer zou rijden van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Dat dit - in eerste instantie - zou zijn geschied in het kader van een BTW-caroussel, zoals door de verdediging is geopperd, is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk geworden.
Verwijzingen in het vonnis van de rechtbank
Door de rechtbank is in de voetnoten verwezen naar de gebezigde bewijsmiddelen. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende:
- in voetnoot 2 dient ook pagina 60 te worden aangehaald;
- in voetnoten 16 en 17 dient ook pagina 3244 te worden aangehaald;
- in voetnoot 18 dient ook pagina 3030 te worden aangehaald.
Betrokkenheid van veroordeelde en berekening van zijn wederrechtelijk voordeel
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van veroordeelde bij de drugstransportorganisatie vanaf tenminste maart 2013. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen - in samenhang met de bewijsmiddelen in de strafzaak - leidt het hof namelijk af dat veroordeelde [medeveroordeelde 6] vóór maart 2013 heeft benaderd om gebruik te maken van diens vennootschap.
Daar komt bij dat het bestand ‘ [bestandsnaam] ’, dat is gebruikt om stickers te maken die bij elk transport op de rol staal werden geplakt, op 4 maart 2013 is aangemaakt, op welk moment ‘ [veroordeelde] ’ als gebruiker (user) was ingelogd. Door de verdediging is gesteld dat ook anderen dan veroordeelde op zijn account konden werken, maar niet is aangegeven wie dit dan zouden moeten zijn geweest en op welke manier dat dan gebeurd zou zijn.
In de strafzaak is bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode 15 september 2015 tot en met 10 november 2015 als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest bij de drugstransportorganisatie. Mede gelet op de omstandigheid dat de modus operandi (chauffeur [medeveroordeelde 1] die elke woensdag met een vrachtwagen met oplegger met een rol staal van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk gaat) vanaf maart 2013 ongewijzigd is -daargelaten kleine verschillen op detailniveau- is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat veroordeelde niet ook al in maart 2013 (als feitelijk leidinggevende) betrokken was bij de organisatie.
De verklaring die verdachte in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij pas vanaf de zomer van 2015 op de hoogte raakte van en betrokken raakte bij de drugshandel acht het hof op grond van de hiervoor genoemde betrokkenheid van verdachte in maart 2013 niet aannemelijk.
Aantal transporten
Op grond van de bewijsmiddelen in de strafzaak en de in de ontnemingszaak voor het bewijs gebezigde gegevens van Stena Line is het hof van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan voor de uitvoering van 92 transporten, bestaande uit:
maart 2013 t/m december 2013 56 overtochten
maart 2014 t/m 30 september 2015 28 overtochten
september 2015 t/m november 2015 8 overtochten
totaal 92 transporten
Het openbaar ministerie is uitgegaan van 88 transporten met aftrek van twee proeftransporten. De hof constateert met de rechtbank op basis van het in eerste aanleg overgelegde aanvullende proces-verbaal met Stena Line gegevens ( [nummer] van 28 november 2016) dat in september 2014 ook nog vier transporten hebben plaatsgevonden waar het openbaar ministerie geen rekening mee heeft gehouden bij haar berekening. Net als de rechtbank zal het hof deze vier transporten niet meenemen in de berekening.
Zoals genoemd is het openbaar ministerie er bij zijn berekening van uitgegaan dat twee transporten geen voordeel hebben opgeleverd omdat de ervaring leert dat proeftransporten worden gereden zonder lading. In navolging van het openbaar ministerie zal het hof de hoeveelheid transporten waaruit wederrechtelijk voordeel is verkregen daarom met twee verminderen.
Dit maakt dat het hof uitgaat van 86 drugstransporten in de periode vanaf januari 2013 tot en met november 2015.
Wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde
Als grondslag voor de schatting van de hoogte van het hiermee door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel wordt het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt, zoals genoemd onder voetnoot 1. Het hof kent dezelfde betekenis toe aan de 16 memobriefjes, inhoudende opbrengstenverantwoording van 16 transporten van de organisatie als de financiële recherche en heeft geen aanleiding om van deze wijze van berekening af te wijken.
Vanuit de 16 transporten, weergegeven op de memobriefjes, en de hoeveelheid harddrugs aangetroffen in de rol staal op de actiedag (60 kilogram) is zicht gekregen op de totale hoeveelheid harddrugs die daadwerkelijk zijn vervoerd. In totaal ging het bij deze 17 transporten om 796 kilogram.De gewogen gemiddelde hoeveelheid harddrugs per verricht transport bedraagt 46,82 kilogram (= 796 kilogram / 17 transporten).
Uit de memobriefjes volgt een vergoeding voor de organisatie (bruto opbrengst) van
€ 1.600,- per kilogram vervoerde harddrugs.
Het totaal aan kosten dat vermeld is op de 16 memobriefjes bedraagt € 376.814,-. Dit betekent een gewogen gemiddelde aan kosten per transport van € 23.550,88 (= totale kosten van € 376.814, / 16 transporten).
Daarnaast is zicht verkregen op extra kostenposten die door of namens de organisatie betaald zijn:
- Aanschaf oplegger met kenteken [kenteken] € 19.360,-
- Aanschaf vrachtwagen met kenteken [kenteken] € 10.890,-
- Aankoop encryptie telefoons en GPS-systeem € 6.250,- en
€ 3.500,-
-
Betalingen voor onderhoud aan de vrachtwagen €11.324,46
Totale extra kosten € 51.324,46
Na aftrek van de kosten per transport resteert een nettoresultaat (winst) voor de organisatie. Dit bedrag wordt volgens de memobriefjes gedeeld door twee personen, aangeduid als ‘p.p.’.
Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde één van de twee personen is die deelt in de winst van de organisatie. In het arrest van de strafzaak is vastgesteld – op basis van daar gebezigde wettige bewijsmiddelen – dat veroordeelde een leidinggevende rol heeft vervuld binnen de organisatie. Het is passend bij die rol dat hij een substantieel deel van de ontvangsten verkrijgt. Zijn (bij)naam wordt niet vermeld op de memobriefjes, terwijl niet aannemelijk is dat hij hiervoor geen vergoeding ontvangt. Daarbij komt dat op een aantal briefjes de letter ‘ [letter] ’ wordt vermeld na berekening van de netto winst per transport, kennelijk met betrekking tot één van de twee personen tussen wie de winst wordt gedeeld. Het hof heeft geen reden om af te wijken van voornoemde interpretatie van de opbrengstverantwoording van de memobriefjes.
Het hof berekent het door veroordeelde ontvangen wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:
Opbrengst: 46,82 kilogram x € 1.600,- x 86 transporten = € 6.442.432,-
Kosten: € 23.550,88 x 86 transporten + € 51.324,46 = € 2.076.700,14
Voordeel drugstransportorganisatie = € 4.365.731,86
Voordeel veroordeelde: € 4.365.731,86 / 2
= € 2.182.865,93
Het uitgangspunt van de ontnemingsmaatregel is het ontnemen van daadwerkelijk genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen is de winst van de organisatie gedeeld door twee personen. Het hof heeft dan ook geen aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal is gevraagd, de gehele winst van de organisatie - al dan niet hoofdelijk - aan [veroordeelde] toe te rekenen.